woensdag 22 februari 2012

Een fijn gedachtenleven


Gepubliceerd in het Nederlands Dagblad op 21 februari 2012

Geld speelt geen rol. Althans, niet voor een heer van stand als Ollie B. Bommel. Voor de rest van de wereld is geld niet onbelangrijk. Sla de krant maar open: een nieuwe recessie, nog altijd geen oplossing voor Griekenland, miljarden extra bezuinigingen. Geld speelt een hoofdrol, zeker in een crisis die is ontstaan door oplopende schulden. Eigenlijk is dat niets nieuws: eeuwen geleden verkeerde Nederland al in vrijwel exact dezelfde situatie.

In de 17e eeuw was Nederland een wereldmacht, die de handel in Europa en met overzeese koloniën domineerde. Maar al in de 18e eeuw was het met die sterke positie gedaan. Economisch verval zette in en welvaart sloeg om in armoede. In deze context introduceerde de econoom John Law een soort piramidespel. Overal in Nederland werden handelscompagnieën opgericht. Nog voor zo’n bedrijf echt bestond werden de aandelen al verhandeld. De eerste kopers waren vaak de rijke poorters van de stad. Zij verkochten hun aandelen weer aan ambachtslieden en dienstboden. Die hoopten hun aandelen meteen met winst door te verkopen. Men kocht daarom aandelen met schuldbekentenissen en niet met eigen geld. Toen deze windhandel uiteen klapte, gingen veel mensen bankroet.

De windhandel nam een vlucht in een periode tussen twee economische systemen in. De tijd van internationale handel met koloniën was voorbij. Maar de industriële revolutie, die in de 19e en 20e eeuw voor een opbloeiende economie zou gaan zorgen, liet nog op zich wachten. Wie een inkomen wilde verdienen moest daardoor hard werken. Maar de generatie die in de welvaart van de 17e eeuw was opgegroeid had daar geen zin in. De ambachtlieden zagen meer in snelle winst door windhandel.

Er zijn veel overeenkomsten met de huidige crisis. Ook wij bevinden ons in een tijd tussen twee economische systemen. We hebben nog tot diep in de 20e eeuw genoten van de welvaart die technologische vernieuwing ons bracht, maar die periode is nu voorbij. Hoe het volgende systeem eruit ziet, en wanneer dat zich aandient – daar kunnen we alleen maar naar gissen. Ondertussen moet wie brood wil verdienen daar (weer) hard voor werken. Voor een generatie die is gewend aan welvaart is dat even wennen. Ook nu zijn er mensen die liever kiezen voor risico’s, bonussen, speculaties en snelle cash.

Die honger naar geld is niet alleen te zien bij snelle bankiers, maar ook studenten, gezinnen, spaarders. We zijn gaan lenen, rekenen en we zoeken naar de slimste belastingtrucs.De geldzucht treft zelfs mensen voor wie geld geen rol speelt. In één van de verhalen van Marten Toonder wordt ook Ollie B. Bommel gegrepen door een windhandel die hem flink in de problemen brengt. Uiteindelijk verzucht de heer van stand: ‘Zelfs mijn fijn gedachtenleven heb ik verloren, want ik kan alleen nog maar aan geld denken. En dat is toch wel erg grof.’

Als we eerlijk zijn, speelt geld vaak een grotere rol dan we willen. Laten we het ons leven beïnvloeden, of lukt het ons een fijn gedachtenleven te behouden?

woensdag 25 januari 2012

Mens of resultaat?

Gepubliceerd in het Nederlands Dagblad op 25 januari 2011

Benno is een wat stille jongen van zeven. In de klas voert hij nooit de boventoon, maar bij bloeit op als hij de kans krijgt de meest ingewikkelde sommen te doen. Zijn juf ziet zijn talent, en doet er alles aan om Benno te helpen dat te ontwikkelen. De school noemt dat: ontwikkelingsgericht onderwijs.

Achter de innemendheid van Esmée schuilt een onzekere twintiger. Als ze druk ervaart laat ze in haar werk steken vallen. Ze is daardoor al een paar jaar werkloos. Haar begeleider vanuit de gemeente heeft nu voor haar een nieuwe werkplek gevonden. Er wordt nu vooral gekeken naar wat ze goed kan en naar hoe ze zich kan ontwikkelen. De gemeente noemt dat: werken naar vermogen.

Benno en Esmée lijken nauwelijks op elkaar. Ze verschillen in leeftijd, talenten en beperkingen. Maar in de manier waarop ze begeleid worden is een mooie overeenkomst te ontdekken. De aandacht is verschoven van het behalen van resultaat naar het stimuleren van hun ontwikkeling. De filosofe Martha Nussbaum noemt dit de 'mogelijkhedenbenadering'. Nussbaum beschouwt het krijgen van mogelijkheden, zoals de kans te leren of te werken, als de basisvoorwaarde waarop ontwikkeling kan plaatsvinden.

Dat is een gedachte die past bij de Bijbel. Uit verschillende gelijkenissen kunnen we leren dat het belangrijk is talenten in te zetten en te vermeerderen. Dat we als samenleving de zwakkeren daarbij ondersteunen en de jongeren daarbij begeleiden is prachtig. In een maatschappij waarin het steeds vaker 'ieder voor zich' is, lijkt dit een welkome tegenbeweging.

Helaas houdt mijn verhaal hier niet op. Want het klinkt mooi op papier, die aandacht voor ontwikkeling, maar de vorderingen willen we wel goed kunnen meten. In een tijd waarin de overheid en de belastingbetaler elk dubbeltje moeten omdraaien letten we extra goed op wat een investering precies gaat opleveren. 'Waar voor ons belastinggeld?' is de veelzeggende titel van het onlangs verschenen SCP-rapport, waarin onder andere wordt geconcludeerd dat alle extra investeringen in onderwijs geen aantoonbaar resultaat hebben gehad. De CITO-scores zijn immers nauwelijks verbeterd.

Zo'n conclusie gaat voorbij aan de werkelijkheid, waarin de tijd tussen zaaien en oogsten vaak veel langer duurt dan één kabinetsperiode. Werken aan ontwikkeling is een zoektocht die tijd kost, en geen quick win.
Dat stelt Nederland voor een keuze. Zetten we in op persoonlijke groei van mensen of gaat het om het resultaat op de rijksbegroting? Dat die keuze valt in tijden van crisis maakt deze vraag extra spannend. Zijn we te armlastig geworden om te investeren in ontwikkeling?

Volgens Martha Nussbaum is armoede niet het ontbreken van inkomen, maar het ontnomen zijn van de mogelijkheden om te kunnen ontwikkelen. Kortom: als we Benno en Esmée de kans niet geven zich te ontwikkelen worden zij (en wij) pas echt arm. En die armoede kan met geen enkele belastingverhoging meer ongedaan gemaakt worden. 

dinsdag 27 december 2011

Goede voornemens

Gepubliceerd in het Nederlands Dagblad, 28 december 2011 

In de altijd wat donkere en drukke doorgang onder het station in mijn woonplaats hingen de afgelopen weken twee reclames tegenover elkaar. Dat is op zich niet zo bijzonder, maar de combinatie van posters trof mij.
De eerste poster toonde een close-up van een duidelijk door ziekte getekend gezicht, tegen een grauwe achtergrond. Met een grimmig onderschrift: ‘Ik ben inmiddels overleden’. Zelfs al rennend om de trein te halen werd ik daardoor abrupt stilgezet bij mijn eigen sterfelijkheid. Het komt door deze poster, denk ik, dat ik in deze laatste weken van het jaar nog meer dan anders mijmer over de eindigheid der dingen. Memento mori, gedenk te sterven.
Dan de tweede poster. Deze was qua opmaak bijna identiek. Ook hier was een close-up van een gezicht te zien. Maar het bijschrift was haast tegenovergesteld: ‘Dit wordt jouw jaar!’ Wie het gelijknamige boek koopt, kan daarin lezen hoe je ervoor zorgt dat de komende twaalf maanden van je leven ‘echt gaan tellen’. Met wat hulp van managementgoeroe Ben Tiggelaar gaan we echt wat maken van 2012! Carpe diem, pluk de dag!
Een groter contrast tussen twee billboards lijkt bijna niet mogelijk. En toch gaan deze posters allebei over hetzelfde: crisis. Het woord crisis stamt van het Griekese ‘krinein’. De filosoof Heidegger beschrijft twee betekenissen van deze woordstam. De eerste en bekendste betekenis is noodsituatie, of noodlot. Deze betekenis gaat over levens die anders lopen dan bedoeld, over ziekte en sterfelijkheid, over memento mori.
De andere betekenis van ‘crisis’ is: onderscheiden waar het op aankomt, of oordelen. Dat refereert aan een moment waarop keuzes gemaakt moeten worden. In onze traditie is de jaarwisseling zo’n moment. Ben Tiggelaar speelt daar met de timing van zijn boek natuurlijk ook op in. In het nieuwe jaar willen we alles (weer) beter doen. Misschien dat we, om onszelf niet teleur te stellen, onze plannen voor 2012 maar bescheiden houden. Maar juist nu, midden in de crisis, zouden onze plannen niet te klein moeten zijn. Crisis of niet, dit wordt jouw jaar! 
Dat klinkt prachtig, maar de tweede betekenis van crisis is eigenlijk wat genuanceerder. Heidegger ziet een crisis als moment waarop we de keuzes moeten maken waar het op aankomt. Dat kan zijn: het roer omgooien en nieuwe kansen zoeken en benutten. Maar dat kan ook zijn: je naaste ondersteunen in een noodsituatie.
In tijden van crisis kunnen we het ons niet veroorloven om die goede voornemens vervolgens te laten sloffen. Maar hoe kom je van plannen naar daden? Ben Tiggelaar heeft daarvoor wel een bruikbaar advies: je bereikt een abstract resultaat door kleine stappen te zetten. Je moet je dus niet blind staren op je voornemen, maar steeds met jezelf afspreken wat je eerstvolgende stap wordt om bij dat doel te komen. Heidegger schreef: ‘Wie stappen zet in tijden van crisis dicht het gat tussen verleden en toekomst.’

Wat wordt uw eerste stap in 2012?

maandag 26 december 2011

Vers geschreven: wij

Wij

Als ik zeg wij
is dat een indruk, een illusie,
maak ik mij breder dan mijn schouders.

Want wij
is het
wij van politiek
wij van religie
wij van ideologie en wij
wie is wij?

Wij is gemaakt uit anderen
wij is weinigen
wij is sommigen
wij is enkelen
Ben jij wij?

Ik zei toen wij
Ik dacht ik sla een bres
Het was of ik ruimte kreeg en adem

Maar toch als ik zeg wij
Gaat het dan over
                             mij?

woensdag 23 november 2011

Sociaal gezicht

Gepubliceerd in het Nederlands Dagblad op 23 november 2011


‘Mijn ochtendgebed is vandaag voor iedereen met oordopjes’ postte één van mijn Facebookvrienden vorige week. Ik moest deze week steeds aan zijn berichtje denken, omdat het zo’n ander karakter had dan de meeste andere posts die ik op Facebook en Twitter voorbij zie komen.

‘Wees de regisseur van je eigen leven’ zei filosofe Stine Jensen toen ze afgelopen zomer haar essay ‘Echte vrienden’ presenteerde. Daarmee bedoelde ze: weeg zorgvuldig af welke foto’s en informatie je over jezelf online prijsgeeft. En geloof me, op internet regisseren we erop los. Berichten op Facebook gaan bijna alleen maar over positieve dingen. Memorabele momenten, hoogtijdagen, feestjes en grappen. ‘Ik zet alleen positieve dingen online’, zei een vriendin laatst.

Dat we zorgvuldig zijn met wat we online zetten is an sich geen enkel probleem. Wie je bent, wat je meemaakt en hoe je jezelf voelt is immers enorm privé. Stine Jensen noemt dat je ‘intiem kapitaal’. Jensen relateert dit 'intieme kapitaal' aan andere vormen van kapitaal, zoals economisch kapitaal (geld) en cultureel kapitaal (kennis, vaardigheden en opleiding). Voor die kapitaalbronnen geldt: wat we daarvan bezitten, maakt ons wie we zijn. Het onderscheidt ons van anderen. Maar met intiem kapitaal is volgens Jensen iets anders aan de hand: het delen van intiem kapitaal maakt ons aan elkaar gelijk. Ik zet mijn kind op Facebook, iemand anders ook.

Het is jammer dat ons handelen op social media steeds meer op elkaar gaat lijken. Maar erger nog is het als ons sociale gezicht een smiley wordt, die niet meer past bij hoe we ons echt voelen. Als ik het online logboek van de levens van mijzelf en mijn vrienden bekijk, lijkt het inderdaad alsof we allemaal een even bruisend, fantastisch en vrolijk leven hebben. We hebben met elkaar een utopie geschapen, een louter positieve wereld. En in 1519 schreef de geleerde Thomas More al: een utopisch ideaalbeeld wordt al snel de norm.

En dat is precies de crux. Sociale media als Facebook en Twitter draaien steeds meer om zelfpromotie. Een Facebook-profiel is dan een soort etalage geworden van je eigen leuke leventje. Tegelijkertijd neemt dit online contact in vriendschappen een steeds prominentere plaats in. Bij jongeren, maar ook bij dertigers, veertigers en ouderen.

Je hoeft op Facebook en Twitter natuurlijk niet het achterste van je tong te laten zien. Maar wat je online zet mag best wat dieper gaan dan weekendjes weg en uitjes naar de Efteling. Een goed begin? Post eens waar je morgengebed over gaat. Het mijne draag ik morgen op aan iedereen met meer dan 100 vrienden die toch eenzaam achter de pc zit.

zondag 11 september 2011

Een bijzondere les uit de geschiedenis

Tien jaar geleden maakte ik een bijzondere geschiedenisles mee. Midden onder de les werd mijn leraar gebeld op zijn mobiele telefoon. Na het belletje zette hij direct de televisie aan, en zei: ‘vandaag geef ik jullie geen geschiedenisles, vandaag maken we geschiedenis mee’. Zo was ik tien jaar geleden, als leerling in VWO5, getuige van de aanslag op de Twin Towers.

Wie het nieuws volgt kan het niet zijn ontgaan dat de Verenigde Staten – en het hele Westen met hen – in het weekend van 11 september 2011 een periode van rouw en herdenking hebben afgesloten. Duizenden mensen herbeleefden hun ‘nine-eleven’ en zagen opnieuw de schokkende beelden van die dag, lazen opnieuw de schrijnende verhalen van slachtoffers en nabestaanden.

Bij alle media-aandacht rond de herdenking moest ik denken aan een pakkende alinea uit het essay ‘Why you should stay away from news’ van de Zwitserse denker Rolf Dobelli. In zijn essay beschrijft hij 15 ‘giftige gevaren’ van het nieuws. Als achtste gevaar noemt hij: nieuws heeft hoge kosten. Ik citeer: ‘Op wereldschaal is het verlies aan potentiële productiviteit (door nieuws) enorm. Neem de terreuraanslagen in Mumbai van 2008, toen terroristen zo’n tweehonderd mensen vermoordden in een daad van huiveringwekkend exhibitionisme. Stel je dan voor dat een miljard mensen gemiddeld een uur van hun aandacht wijdden aan de tragedie in Mumbai: door het nieuws te volgen, naar een deskundige op televisie te kijken, erover na te denken. (…) Dit is geen wilde gok: India alleen al telt meer dan een miljard mensen. Velen van hen hebben het drama dagenlang gevolgd. Een miljard mensen vermenigvuldigd met een uur is een miljard uur, en dat is meer dan honderdduizend jaar. De gemiddelde levensverwachting wereldwijd is zo’n 66 jaar. Bijna tweeduizend levens werden dus opgeslokt door nieuwsconsumptie. Dat is veel meer dan het aantal mensen dat in Mumbai werd vermoord’.

Met alle aandacht voor het herbeleven van elf september kan ik niet laten te denken: hoeveel ‘nieuws’ over deze aanslagen is de afgelopen tien jaar geconsumeerd? Hoeveel mensen hebben de afgelopen jaren steeds opnieuw hun gedachten uit laten gaan naar die dramatische ochtend? Dobelli zou zeggen: de aanslagen op elf september hebben tot een onvoorstelbare hoeveelheid tijdverspilling gezorgd.

In tegenstelling tot Dobelli kan ik me als christen niet opwinden over die vermeende tijdverspilling. In tegendeel. Ik vind het een heel troostrijke gedachte. Stel je voor: miljarden mensen hebben een decennium lang steeds opnieuw hun tijd en aandacht gegeven aan het leed van duizenden, zo niet miljoenen wereldburgers waarvan het leven drastisch is beïnvloed door de gebeurtenissen op en na 11 september 2001. Amerikanen, Afghanen, Irakezen, Europeanen – ze zijn in de gedachten van duizenden geweest. We hebben met elkaar misschien wel een miljoen mensenlevens tijd besteed aan dit nieuws en onze overpeinzingen.

Dat is prachtig. Als wereldburgers gedenken wij zo elkaar en helpen wij elkaars leed te dragen. Dobelli somt de manieren op waarmee mensen hun aandacht aan het nieuws wijden:: ‘door het nieuws te volgen, (…) erover na te denken.’ Ik voeg daar graag aan toe: ‘door te bidden’. Met bijna 2 miljard gelovigen is het Christendom ook in dit perspectief een machtige godsdienst. Tien jaar na nine-eleven wil ik iedereen dus van harte aanbevelen: volg het nieuws. Lees over de Hoorn van Afrika, denk na over de Arabische Lente, gedenk oorlogen en natuurrampen. En bid voor de slachtoffers en nabestaanden. Want als we blijven meebeleven, blijven we steunen en troosten.

maandag 5 september 2011

Twee euro is een heleboel

Mijn bank biedt aan de klanten die internetbankieren sinds kort een nieuwe service: ‘het financieel dagboek’. Een online huishoudboekje dus. Het bestuderen van deze tool staat al een hele tijd op mijn to-do-list.

Ik besluit daar eens werk van te maken. Volgens mijn bank is de klus binnen één kop koffie geklaard: ik hoef alleen maar aan te geven tot welke categorie een betaling behoort. Zo gezegd, zo gedaan. Maar net als ik de slag te pakken krijg, valt mijn oog op het overzicht van augustus. Een taartdiagram geeft in vrolijke kleurtjes aan waar ik het grootste deel van mijn geld aan uitgeef. En dat is even schrikken. Veel taartpunten zijn een stuk groter dan ik dacht. Zo wist ik niet dat ik per maand net zoveel uitgeef aan kleren als aan boodschappen.

Ik besluit de confrontatie niet uit de weg te gaan, en met een tweede kop koffie erbij verdiep ik me verder in mijn uitgavenpatroon. Maar als ik de aankoop van mijn favoriete en prijzige glossy naar het hokje ‘kranten en tijdschriften’ sleep denk ik ineens: waarom kost dit eigenlijk ruim 5 euro? Het schaamrood schiet me naar de kaken als ik me realiseer dat bijna de helft van de wereldbevolking moet rondkomen van een halve glossy: nog geen 2 euro per dag. Uit mijn uitgavenoverzicht blijkt bovendien dat ik wel vaker uitgaven doe waar, aan de andere kant van onze aardbol, een medemens meerdere dagen van kan leven. Ik besluit daarom een week lang een lijst bij te houden van alle ‘onnodige’ aankopen van meer dan 2 euro.

Pas als ik de volgende ochtend met een cappuccino in mijn handen op de trein sta te wachten, herinner ik me mijn goede voornemen. Ik pak pen en papier en mijn lijst met onnodige uitgaven is begonnen. Die week groeit de lijst met talloze uitgaven waar ik normaal niet bij stilsta: een kom soep met drie boterhammen in de kantine – terwijl er een kakelvers brood thuis in de kast ligt. Koekjes voor de koffieavond van mijn bijbelkring. Een uurtje oppas voor mijn jongste dochter….

Na een week past mijn lijstje niet meer op één velletje. Maar na deze week kijk ik wel met een andere blik naar mijn boodschappen. Het is toch eigenlijk gek dat ik 2 euro te duur vind voor een brood, terwijl ik zonder knipperen 3,50 betaal voor een roséetje op een terras? Wat bepaalt dat de ‘waarde’ van dat glaasje hoger is dan de waarde van het brood? Wat het ook is – die waarde wordt in elk geval niet bepaald door de ‘noodzakelijkheid’ van de uitgave. En dat is raar. Wat we (brood)nodig hebben moet goedkoop zijn, maar wat we willen hebben mag veel kosten.

De marketingwereld kent hier een vakterm voor: prijsperceptie. Bedrijven relateren hun prijzen niet langer aan de kostprijs vermeerderd met een winstmarge, maar bepalen hun prijs via onderzoek naar wat de consument ‘wil betalen.’ En dat blijkt vaak meer te zijn dan het product ‘waard’ is. Uiteindelijk bepalen andere ‘kopers’ dus wat ik moet afrekenen voor een pak yoghurt of een spijkerbroek. Maar is die spijkerbroek voor mij hetzelfde ‘waard’ als voor hen?

Vanuit die invalshoek besluit ik nog eens naar mijn online financiële dagboek te kijken. Dat dagboek geeft ook de mogelijkheid te budgetteren. Als maandbudget voor ‘kleding’ stelt de bank het bedrag voor dat ik daar gemiddeld per maand aan besteed. Ik besluit de voorstellen van de bank niet te volgen, maar een bedrag toe te kennen dat past bij de werkelijke ‘waarde’ die voor mij heeft. Als ik mijn boekje te buiten ga, stuurt de bank me een sms. Ik ben benieuwd hoe vaak mijn telefoon gaat piepen komende maand!