Posts tonen met het label overheid. Alle posts tonen
Posts tonen met het label overheid. Alle posts tonen

donderdag 26 juni 2014

Betrokken burgers



Verschenen in het Nederlands Dagblad op 25 juni 2014
 
U bent onverschillig, ongemotiveerd en heeft een gebrek aan algemene vaardigheden. Nou ja, u dan misschien niet, maar alle andere burgers wel. Tenminste, als we de wetenschappers en journalisten moeten geloven. Neem bijvoorbeeld het essay dat Kim Putters, directeur van het SCP, vorige week publiceerde. Daarin zegt hij: “zorgtaken worden tot nu toe vooral gedaan door een specifieke groep vrouwen van een jaar of veertig. Veel breder zal dat in de toekomst niet worden. Want de meeste burgers hebben onvoldoende vaardigheden en motivatie om zorgtaken voor een ander uit te voeren.” Dat maakt dat Putters niet zo veel vertrouwen heeft in de participatiesamenleving. 

In zijn pessimisme over burgers staat Kim Putters niet alleen. De Amerikaanse historicus Donald Kegan zei in zijn afscheidsrede van Yale University, vorig jaar besproken in deze krant, bij burgers vooral ‘een culturele leegte, onwetendheid over het verleden en een gevoel van ongeworteldheid en zinloosheid’ aan te treffen. 

Kortom: we zijn van betrokken, zorgzame inwoners veranderd in onverschillige, ongemotiveerde burgers met een gebrek aan vaardigheden. Volgens Kegan is dat de doodsteek voor de westerse democratie in haar huidige vorm – en Putters verwacht daardoor weinig goeds van de participatiesamenleving. Nu schuilt er in die waarschuwingen natuurlijk een kern van waarheid. Ik ben het met Putters eens dat er meer betrokkenheid van burgers wordt verwacht dan realistisch is. Maar ik ben toch niet pessimistisch over de toekomst – de participatie komt volgens mij alleen uit een andere bron dan de overheid verwacht.  

Die bron is volgens mij: sociaal ondernemerschap. Allerlei ondernemers nemen uit eigen beweging verantwoordelijkheid voor de samenleving en gaan taken oppakken die we de afgelopen decennia als het domein van de overheid zijn gaan zien. Ik ken ondernemers die woongemeenschappen voor ouderen initiëren, of grote groepen vrijwilligers weten te mobiliseren om zorgtaken voor buren uit te voeren. Ik ken start-ups die werkloze jongeren helpen te ondernemen. Niet al die plannen zijn succesvol, maar dat is juist goed. Immers: alleen de ideeën die voldoende (financieel) draagvlaak vinden, groeien uit.

Het initiatief verschuift hiermee van overheid naar (kleine) ondernemers. Als die kiem uitgroeit tot een nieuwe moraal, kan dat nieuwe vormen van bestuur afwingen. Een vorm waarin niet langer de overheid mandaat krijgt van de kiezende burgers om beleid te maken, maar een vorm waarin ondernemers die publieke taken uitvoeren hiervoor ruimte en gelegenheid krijgen van de overheid. Daarvoor is het nodig dat de overheid zich gaat inspannen om te zorgen dat het beleid deze sociale bedrijven ondersteunt en niet beknot. De betrokken burger is niet verdwenen, hij heet nu alleen betrokken ondernemer.

donderdag 27 februari 2014

De paradox van (niet) werken


Gepubliceerd in het Nederlands Dagblad op 19 februari 2014.
Een paar weken geleden trok een gerennomeerd adviesbureau voor een project in bij de afdeling waar een vriend van mij werkt. Hij liet me raden hoe lang de werkdagen van die ‘arme consultants’ zijn. Het antwoord: ze werken van 08:00 tot 20:00, en dan thuis nog van 21:00 tot 24:00.  Dat doen ze waarschijnlijk om indruk te maken op hun klanten. Maar uit de verhalen van mijn vriend maakte ik op dat ze het tegenovergestelde effect bereikten: hun klanten vinden ze vooral sneu omdat ze zo lang en zo veel zitten te werken. Want get a life: werk is niet het enige dat ertoe doet.
Dit illustreert een interessante ontwikkeling: we gaan werk minder belangrijk vinden. Een paar jaar geleden was je helemaal de bink als je lange dagen met veel uren maakte. De mensen met de hoogste status (en het hoogste inkomen) hadden bijna altijd een drukke baan en zij – en velen met hen – gingen er prat op het druk te hebben en altijd te werken. Kortom: veel en hard werken leverde status op.
In de decennia dat we hard en veel werkten zo hoog waardeerden kregen de werklozen een steeds lagere status. We associëren werkloosheid (en falen in het algemeen) steeds minder met pech en steeds meer met domheid en luiheid. Dat heeft zo zijn effect op hoe we omgaan met werklozen. De huidige roep om een tegenprestatie van wie bijstand ontvangt komt daar uit voort. Wie een uitkering krijgt moet zich maatschappelijk nuttig gaan maken, bijvoorbeeld door boodschappen te doen voor ouderen. Daar zit een premisse achter die ik behoorlijk gevaarlijk vind: namelijk dat het leven van iemand die werkt meer nut heeft dan het leven van iemand die niet werkt.
Jaren geleden al onderzocht socioloog Paul de Beer deze stelling. Hij toonde aan dat werkenden én werklozen inderdaad meer betekenis en nut toekennen aan betaald werk. Maar gek genoeg komt dat niet doordat werklozen een gebrek aan (nuttige) activiteiten zouden hebben. Het is vooral de maatschappelijke afkeuring die werklozen doet verlangen naar een betaalde baan. Paul de Beer verwoord dat zo: “de belangrijkste reden dat betaald werk voor werklozen en arbeidsongeschikten zo belangrijk is, is simpelweg dat ‘wij’ besloten hebben dat werken voor hen zo belangrijk is.”
Dat levert een paradox op: juist nu we zelf werk minder belangrijk vinden in ons leven, leggen we werklozen een tegenprestatie op omdat ze zich maatschappelijk nuttig moeten maken. Maar de werklozen zelf voelen zich nuttig genoeg – zij willen vooral werken omdat dat de maatschappelijke verwachting is.
Gelukkig kan deze paradox zichzelf oplossen. Want als we werk minder belangrijk gaan vinden, zullen meer mensen genoegen nemen met wat minder inkomen, in ruil voor vrije tijd. Dan schikken alle werkenden een beetje in voor de werkzoekenden. Als we allemaal 3 uur per week minder werken kan volgens Paul de Beer een groot deel van de werklozen in een betaalde baan aan de slag. Dat is dubbel goed nieuws: want dan hebben wij allemaal wat extra tijd over om te ontspannen – of om zelf de boodschappen te doen voor oma.
 


donderdag 24 oktober 2013

Perspectiefspagaat

Dit artikel is op 23 oktober 2013 verschenen in het Nederlands Dagblad.

Heeft u (binnenkort) herfstvakantie? Bezoek dan eens de expositie Escher in het Paleis, in Den Haag. Zijn optische illusies zijn bekend, maar blijven intrigerend. U denkt dat iets rond is, maar het blijkt vlak. Bij Escher lijken dingen soms veraf, maar zijn tegelijkertijd dichtbij: een perspectiefspagaat.

Dat is vooral een leerzame oefening voor ambtenaren, want zij zullen de komende jaren ook moeten toveren met perspectief. De overheid wil immers naar 'veraf'. Bijna elke beleidsnotitie gaat over 'burgerkracht', 'eigen draagvermogen' en 'eigen verantwoordelijkheid'. Het beeld van de overheid als hulpverlener verdwijnt rap naar de achtergrond. De focus verschuift van curatief beleid – schuldhulpverlening ná het ontstaan van schulden, uitkeringen verstrekken ná werkloosheid – naar preventief beleid. Om dat te realiseren komt de overheid – paradoxaal genoeg – steeds ‘dichterbij’. Hoe is dat zo gekomen?

De terugtrekkende beweging van de overheid gaat vaak gepaard met 'kortingen' op budgetten. Om met deze schaarsere middelen uit te komen maken gemeenten de (verstandige) keuze in te zetten op preventie. Zo geven gemeenten budgetcursussen aan financieel kwetsbare huishoudens, om de noodzaak van dure schuldhulpverlening te voorkomen. En tieners worden bij hun studiekeuze uitgebreid geïnformeerd over arbeidsmarktkansen, om te voorkomen dat scholen opleiden tot werkloosheid.

Maar kennis is niet alles. We gaan niet ineens verstandige keuzes maken als we goed geïnformeerd zijn. In onze keuzeprocessen speelt meer mee. Zo zijn we sterk georiënteerd op het hier en nu: we bezwijken makkelijker voor de verleiding iedere dag iets kleins te kopen (zoals een ijsje) dan dat we sparen voor een dagje weg (bijvoorbeeld naar een expositie). En we zijn in onze keuzes overgevoelig voor levendige en concrete informatie. De grapjes die tijdens de presentatie van een opleiding worden gemaakt kunnen daardoor voor aankomend studenten zwaarder wegen dan de kennis over arbeidsmarktkansen.

Dat onbewuste gedragsprocessen een grote rol spelen is ook bij de overheid geland. Preventieve maatregelen houden daar steeds vaker rekening mee, bijvoorbeeld door de budgetcursussen te geven voor meer homogene groepen, zodat er een groepsdruk ontstaat. En wat vinden we er eigenlijk van wanneer de overheid veranderingen in onze persoonlijke situatie (verhuizing, ziekte, nieuw werk) gaat aangrijpen om ons nieuwe gewoonten voor te stellen? Dat kan wel erg 'dichtbij' komen. Waren burgers niet juist zelf verantwoordelijk? Zie hier de perspectiefspagaat.

De vraag is dus: hoe dichtbij mag de overheid komen zodat de overheid zich kan terugtrekken? Het vangnet moet smaller, maar hoe ver mag de overheid gaan om die besparing te realiseren? Het antwoord daarop heb ik nog niet gevonden. Misschien vindt u het antwoord als u Escher gaat bekijken in het Paleis. Want zelfs al moet je bij Escher soms een trap afdalen om omhoog te klimmen – in zijn tekeningen staat alles wel in een logisch verband.



vrijdag 13 september 2013

De gemeente: spil van het sociaal domein

Dit artikel heeft de schrijfwedstrijd gewonnen van de jubileumeditie van Sociaal Bestek (september 2013). Ik schreef het, in samenwerking met Suzanne de Visser, Susan van Klaveren, Betty Noordhuizen.

Vandaag is ons nieuwe gemeentehuis geopend. Een bijzondere mijlpaal. Vooral omdat het nieuwe pand totaal anders is dan het oude pand, dat duidelijk gebouwd was in de jaren ’10, toen gemeenten nog een omvangrijk takenpakket hadden. Het oude pand staat op een plek die toen prominent was – langs het spoor, vlakbij de binnenstad – en straalt uit dat het ’t centrum wil zijn van ontwikkelingen in de gemeente. Alleen de begane grond was openbaar toegankelijk, beveiliging beschermde vele hardwerkende ambtenaren.

Het nieuwe pand is het tegenovergestelde: het is een klein en bescheiden pand, en het bestaat voornamelijk uit flexplekken waar de buurtondernemers kunnen werken. Dat bevestigt de maatschappelijke ontwikkelingen van de laatste drie decennia. Het is intussen zo gewoon geworden dat we niet anders meer weten, maar de manier waarop publieke taken werden uitgevoerd was dertig jaar geleden, met de opening van het vorige gemeentehuis, totaal anders.

Midden in de tienjarige recessie, in 2013, heerste er in de publieke opinie een sombere stemming. De kosten voor de verzorgingsstaat liepen hoog op. Taken werden van de overheid afgewenteld op ‘onderlinge zelfredzaamheid’ van burgers.[1] Zowel de landelijke overheid als gemeenten deden een zwaar beroep op de solidariteit van burgers. De Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling was in 2013 een van de eerste organisaties die toekomstmuziek hoorde. “Overheden hebben het vormgeven van solidariteit langzaam van de samenleving overgenomen. (…) Maar ook de samenleving kan instituties voortbrengen die deze (…) dilemma’s kanaliseren.”[2] Precies dat laatste gebeurde ook – maar op heel onverwachte wijze. In 2013 verwachtte men nog veel van de solidariteit van burgers. De kiem van ons huidige zorgsysteem werd echter niet gelegd door burgers, maar door (sociaal) ondernemers, die steeds vaker taken oppakten die tot dan toe als het domein van de overheid werden gezien. Dat bracht een nieuwe vorm van democratie: wie een idee heeft dat gedragen wordt door de lokale gemeenschap, kan daarmee aan de slag. Deze nieuwe moraal heeft geleid tot een staatsvorm waarin niet langer de overheid mandaat krijgt van de kiezende burgers om beleid te maken, maar tot een vorm waarin ondernemers die publieke taken uitvoeren daarvoor ruimte en gelegenheid krijgen van de overheid.

Om goed te begrijpen hoe solidariteit nu wordt georganiseerd, hebben we een afspraak met Martine van Ommeren (53), op één van de flexplekken in het nieuwe gemeentehuis. Zij bedacht 20 jaar het idee van de buurtcoördinator, dat inmiddels in alle 100 gemeenten in Nederland wordt toegepast. “Op dit moment wordt aan 95% van alle zorgvraag voldaan door particulieren die direct zorg uitruilen, of door sociaal ondernemers die met hun bedrijf een deel van de zorgbehoefte vervullen.” Het is wel belangrijk om het begrip ‘zorg’ hier goed te verstaan, benadrukt Martine: “Het gaat hier niet om medische zorg, of andere écht zware zorg. Maar bijna alles wat in de jaren ’10 nog ‘Wmo-zorg’ werd genoemd, valt nu onder mij als buurtcoördinator. En breder dan dat: elke wijkbewoner met een ondersteuningsvraag kan zich bij mij melden. Of het nu gaat om verzorging, huishouden, administratie of hulp bij de kinderen.”

De buurtcoördinator heeft de verantwoordelijkheid vraag en aanbod op elkaar af te stemmen. “Dat noem ik mijn makelaarsfunctie. Maar ik regel ook veel administratieve zaken, zorg voor de afstemming met andere buurten en ik ben aanspreekpunt voor de sociaal ondernemers die in de buurt actief zijn.” Dat is alles bij elkaar een flink takenpakket, vertelt Martine. “Ik werk twee dagen per week vanuit huis, waar de buurtbewoners bij me kunnen aankloppen. De andere twee dagen werk ik op een flexplek in het gemeentehuis, waar ik de activiteiten afstem met de andere buurtondernemers. Op het gemeentehuis zitten nog twee ambtenaren. Die kunnen alle nodige voorzieningen regelen. Daardoor worden alleen die dingen geregeld die voor iedereen nodig zijn. Heel democratisch! En ja, ik doe mijn werk natuurlijk niet voor niets. Wie zorg ontvangt betaalt in elk geval een kleine bijdrage, een coördinatie-fee. Wanneer je tegenprestatie even ‘zwaar’ telt als dat wat je ontvangt, is je zorg verder vrijwel gratis. Door dit principe van wederkerigheid en het wegvallen van alle gemeentelijke bureaucratie is het allemaal véél goedkoper geworden. Nu zo gewoon, maar 30 jaar geleden nog totaal ondenkbaar.”

Martine stelt ons voor aan een aantal zorgvragers en –aanbieders uit haar netwerk. Zo is er Betty (33), moeder van Lena (4). Betty vertelt: “Ik heb een drukke tijd achter de rug: een peuter thuis terwijl ik naast mijn fulltime baan mijn MBA haalde. Sinds een half jaar gaat Lena naar school. Dertig jaar geleden zou dat het begin zijn van een nóg drukkere periode: je kind op tijd brengen en de juffen en meesters ondersteunen bij activiteiten voor de school. Nu was een bezoekje aan de buurtondernemer voldoende om me die zorg uit handen te nemen. Het halen en brengen van Lena en de extra taken op school worden voor mij geregeld. Dat gebeurt nu door een oudere mevrouw, die vond dat ze eenzaam werd en daarom een activiteit zocht om haar dag mee te vullen. Die mevrouw geniet er erg van en Lena is dol op haar. Ik ben er ook blij mee, want Lena krijgt van haar ‘bonus-oma’ toch weer een andere kijk op het leven mee dan van mij of haar juf op school. Voor de inzet van onze bonus-oma betaal ik de coördinator een financiële bijdrage. Die is heel schappelijk, omdat ik me op mijn beurt een avond in de week inzet om mensen met problematische schulden te helpen bij hun administratie. Hartstikke goed geregeld!”

Een van de sociaal ondernemers in Martines buurt is Suzanne de Visser (50). “Ik heb jarenlang gewerkt als verpleegkundige. Tot ik tien jaar geleden een ongeluk kreeg, waardoor ik niet meer lang kan staan. Gelukkig gebeurde dat in 2025, en niet in 2015! Het is nog maar twintig jaar geleden dat ik ‘arbeidsongeschikt’ verklaard zou zijn. Nu ben ik alles behalve afgeschreven. Toen ik met mijn situatie bij de buurtcoördinator aanklopte, zag zij gelijk allerlei mogelijkheden. Ik heb nu een bedrijfje als lokale zorgaanbieder. Ik verleen allerlei zorg in de wijk: van steunkousen aantrekken en injecties geven tot de verpleegkundige nazorg van patiënten die net uit het ziekenhuis zijn ontslagen. Ik ben ook stageopleider voor studenten van het HBO en het MBO die de zorg in willen. Ik ben dus de verlengde arm van het ziekenhuis, zogezegd. Dat spaart het ziekenhuis geld uit, en ik verdien zo toch nog een goed inkomen. Gelukkig regelde de buurtcoördinator voor mij een scootmobiel, zodat ik overal kan komen.”

Ook mevrouw van Klaveren (82) is positief. “Ik weet nog dat mijn moeder dertig jaar geleden soms wel twee uur moest wachten op de thuishulp. Dan was ze om 10 uur nog niet aangekleed. Nu is dat wel anders. Mijn hulp komt uit de buurt, en kan er dus ’s ochtends vroeg al zijn. Dat is fijn, want ik ben nog heel actief. Met een groep vriendinnen help ik tegen een kleine vergoeding de leidsters van een kinderdagverblijf. We assisteren bij het knutselen of lezen voor. De buurtcoördinator die mijn thuishulp regelde, dacht dat dit wel wat voor mij was. Gelijk heeft ze! Zo blijf ik tenminste volop betrokken bij het leven in de buurt. Dertig jaar geleden zou ik als oudere met medische zorgindicatie achter de geraniums zijn beland. En van de vergoeding die ik verdien betaal ik de thuishulp en mijn wekelijkse lessen ‘bewegen voor ouderen’. Dat is altijd zo gezellig en het houdt me nog fit ook!”

Uit deze voorbeelden blijkt al dat een buurtcoördinator meer is dan alleen een zorgmakelaar. Martine: “Ik moet weten wat er speelt in de wijk, wat er nodig is en welke vragen en diensten slim aan elkaar verbonden kunnen worden. Soms is het voldoende particulieren aan elkaar te koppelen, maar als de zorgbehoefte groter is kan het slimmer zijn iemand te stimuleren hiervoor een bedrijf te beginnen. De resultaten zijn verbluffend. Deze manier van werken brengt meer cohesie in de wijk, levert meer maatschappelijke participatie van burgers op én geeft veel goedkopere zorg dan voorheen, zo blijkt uit recent evaluatieonderzoek van Panteia.”



[1] Drenth, B. e.a. (2013). Rondje voor de publieke zaak. Pleidooi voor de solidaire ervaring. Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling, Den Haag.
[2]Idem.

donderdag 29 augustus 2013

Soort bij soort

Dit artikel is op 28 augustus 2013 verschenen in het Nederlands Dagblad.

Dit voorjaar liep mijn dochter voor het eerst de jeugdavondvierdaagse. Ik stond langs de kant, er trokken tientallen scholen in defilé voorbij. Of het nu lag aan de liedjes en leuzen die werden gezongen, of aan de kleding van de kinderen, of aan het aantal ouders dat tijdens het meelopen een sigaretje opstak – ik begreep ineens het spreekwoord 'soort zoekt soort'. Ik zag arbeidersscholen, zwarte scholen, yuppenscholen en janmodaalscholen – maar nergens een lekker goed geintegreerde mix.
 
Soort mag weer bij soort. De vorige minister van onderwijs, Marja van Bijsterveld, maakte daar al geen geheim van. 'Zwarte scholen zijn een feit,' zei ze al in 2011. 'Het gaat om de kwaliteit van het onderwijs. Of een school dan wit of zwart is, is minder belangrijk.' 

Daar heeft ze wel gelijk in. Segregatie met mate is geen ramp – en het is bovendien niet te voorkomen. Want ouders kiezen voor een school waarbij ze zichzelf herkennen in het publiek, zo bleek uit onderzoek van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling. Zien hoogopgeleide ouders teveel mensen in een joggingbroek op het schoolplein staan, dan fietsen ze een schooltje verder. Arbeidersgezinnen en allochtone families bleken precies hetzelfde te doen. Kortom: enige segregatie kiezen we zelf. Toch is die segregatie wel gevaarlijk, waarschuwde de socioloog Michael Young al in 1958. Hij was bang voor een samenleving waarin kinderen van hoger en lager opgeleiden volstrekt gescheiden opgroeien. Volgens Young kan dat alleen maar leiden tot opstand en onrust.

Segregatie stimuleren is dus allerminst verstandig. En toch is dat precies wat Sander Dekker, de huidige staatssecretaris, doet. Hij gebruikt daarvoor twee voorstellen. Allereerst moedigt hij de komst aan van ICT-scholen en 'excellente' scholen. Daarnaast wil hij tweetalig onderwijs op basisscholen bevorderen. En dan doelt hij niet op Marokkaans-Nederlands of Farsi-Nederlands. Nee: Dekker pleit voor een grootschalige invoering van het Engels, vanaf de onderbouw.

Ik denk dat de staatssecretaris niet zo vaak bij een arbeidersschool is langsgeweest, laat staan bij een zwarte school. Want na één bezoek had hij de keerzijde van zijn plan ingezien. De kleuters die hier in groep 1 instromen beheersen het Nederlands maar matig. Deze scholen zullen dus hun handen vol hebben aan het ondersteunen van de leerlingen die een achterstand in het Nederlands moeten wegwerken. De kwaliteit van het onderwijs, waar van Bijsterveld in 2011 nog zo op hamerde, wordt nu door Dekkers plannen juist ongelijk verdeeld. De extra's – zoals ICT, 'excellentie' en Engels – worden voorbehouden aan de elite-scholen.

Welke scholen dat zijn, dat was afgelopen lente tijdens deze avondvierdaagse al scherp zichtbaar. Maar als Dekker zijn zin krijgt is dat over tien jaar nog versterkt. Dan kent de helft van de leerlingen het spreekwoord 'soort zoekt soort' niet eens, terwijl de andere helft liedjes zingt over 'Birds of a feather flock together'.
 
 
 

vrijdag 26 juli 2013

Even bellen

Dit artikel is eerder gepubliceerd in het Nederlands Dagblad.

‘Meneer Jansen is 82 jaar en heeft nauwelijks nog familie. Alleen zijn vriend Piet komt dagelijks langs. Meneer Jansen heeft de hulp van Piet nodig: die doet de boodschappen en beheert het huishoudgeld. Er is alleen nooit genoeg eten en kleding in huis. En er verdwijnen regelmatig waardevolle spullen.’
 
Dit is slechts één voorbeeld van oudenmishandeling. Het maakt meteen duidelijk hoe schrijnend dit onderwerp is. Pijnlijk, en onacceptabel. Daar was staatssecretaris van Rijn (VWS) het vorige maand, bij de lancering van de landelijke campagne tegen ouderenmishandeling, helemaal mee eens. ‘We moeten de taboesfeer doorbreken. (…) We moeten er samen voor zorgen dat onze ouderen zich veilig voelen en veilig zijn,’ zei de staatssecretaris. Daar kan niemand het mee oneens zijn. Volkomen terecht, dus, dat de staatssecretaris ook in deze tijden van crisis budget uittrekt om deze zaak eens goed onder de aandacht te brengen. Hoewel? Wat gebeurt er nu eigenlijk?
 
Terwijl de staatssecretaris met de campagne tegen ouderenmishandeling opende, werd er op zijn ministerie hard gewerkt aan ‘de decentralisaties’ in de zorg. Dat betekent nogal wat voor ouderen. Ten eerste worden gemeenten verantwoordelijk voor de begeleiding en ondersteuning aan ouderen die nog thuis wonen. Voor alle (thuis)zorg die deze ouderen nodig hebben, moeten ze dus gaan aankloppen bij de gemeente. Tegelijkertijd is besloten tot ‘extramuralisering’ van de (ouderen)zorg. Die prachtige term betekent dat ouderen minder snel in een verzorgingshuis mogen gaan wonen, maar dat meer ouderen met een zorgbehoefte langer thuis geholpen moeten worden. De gemeente mag dat regelen, en omdat de gemeente zo dichtbij de burger staat kunnen ze dat – volgens het kabinet – voor miljarden minder.
 
Gelukkig heeft het rijk ook nog tips voor gemeenten, over hoe ze voor al die ouderen al die zorg moeten regelen. Uit het tipboek: “Als een burger aanspraak wil maken op een collectieve voorziening, kan de ambtenaar vragen: wat kan u zelf doen, en hoe kan u uw sociale netwerk aanspreken?” Kortom: er komen meer ouderen, met meer zorgvraag, die langer thuis blijven wonen – en dat gaan we oplossen met mantelzorgers en thuiszorgmedewerkers, die meer moeten doen met minder.

Nu blijkt de overbelaste (mantel)zorger één van de voornaamste oorzaken te zijn van ouderenmishandeling. Degene die steelt uit de portemonnee van oma is vaak de dochter die haar hoofd financieel nauwelijks boven water kan houden, en die door alle zorgtaken geen extra uren kan gaan werken. En de man die al dagen alleen ligt blijkt een zoon te hebben die het niet meer kan volhouden om zijn vader te verzorgen. Gelukkig is er dan nu goed nieuws: als iemand de radio even aanzet, kunnen deze oma’s en opa’s wel luisteren naar de campagne van de staatssecretaris. Dan weet opa in elk geval welk nummer hij kan bellen om te melden dat zijn zoon de zorg niet meer aan kan.


 

donderdag 28 februari 2013

Niet strafbaar

Wat zijn de overeenkomsten tussen succesbedrijf Apple, failliete scholenkoepel Amarantis en staatsbank SNS? Overeenkomst één: ze zorgden afgelopen weken alle drie voor nieuws. Apple bespaarde miljoenen euro's door een slimme belastingroute langs Nederlandse brievenbusfirma's te gebruiken. Dat is voor Apple natuurlijk prachtig, maar met veel anderen vroeg ik me af: is dat wel legaal? Overeenkomst twee: diezelfde vraag was het refrein van de discussies over Amarantis en SNS. De onzorgvuldige overnames, het misbruik van personeelsregelingen en de exorbitante salarissen van bestuurders geven een wat ongemakkelijk gevoel. Mag dat allemaal zomaar?

In het klein vinden we dergelijke constructies veel minder problematisch. Niemand ziet er kwaad in om naar een andere supermarkt te fietsen, waar het brood goedkoper is. Overstappen naar een andere werkgever die betere arbeidsvoorwaarden biedt is helemaal niet vreemd, en gelukkig is het doen van verkeerde aankopen niet strafbaar. Zo staat het ook bedrijven vrij om, binnen de grenzen van de wet,  zo min mogelijk belasting te betalen. Vorige week zei de onderzoekscommissie van Femke Halsema dan ook het volgende over Amarantis: “er zijn geen strafbare feiten gepleegd, maar er is onbehoorlijk profijtelijk voor het eigen gewin gezorgd.” De derde overeenkomst is daarom: het gedrag van Apple, Amarantis en SNS is wel te veroordelen, maar niet strafbaar. De wet blijkt soms ruimer dan de moraal verlangt.

Wat is daar tegen te doen? Femke Halsema schrijft dat “ongewenst gedrag alleen is terug te dringen door het gedeelde moreel bewustzijn te versterken.” Het is dus tijd onze normen en waarden weer eens op te poetsen. Dat klinkt mooi, maar het is denk ik niet genoeg. De praktijken bij SNS, Apple en Amarantis zijn juist ontstaan in de jaren dat Balkenende ijverde voor de terugkeer van ons geweten. Maar als wetten en moraalridders dergelijke situaties niet kunnen voorkomen, wat dan? 

Een oplossing schuilt hierin: de wet kan ook strakker zijn dan dat moreel acceptabel is. Wat zal er bijvoorbeeld gebeuren wanneer al personeel in Nederland zich exact aan de werkuren gaat houden? Niemand doet meer een stap harder, niemand werkt een half uurtje langer om een belangrijke klus nog even te klaren. Het gevolg is denk ik snel te merken: als we ons massaal precies aan wet en regels houden ligt het (trein)verkeer, bedrijfsleven en de overheid binnen 24 uur plat.

Daarom hier een gulden tip voor iedereen die klant of werknemer is van een organisatie die – hoewel legaal – volstrekt amoreel bezig is. Keer het om, dwing morele verandering af. Niet door te staken of te demonstreren, maar door naar de letter van wetten en regels te gaan handelen. Houd je exact aan alle voorschriften en regels. Geef bijvoorbeeld alle nodige én onnodige wijzigingen door aan de administratie. Of doe geen tittel of jota meer dan dat in je functieomschrijving staat. Dat is niet strafbaar, maar wel ontregelend. En ongetwijfeld is het in no time uiterst effectief.


vrijdag 29 juni 2012

Verlanglijstjes

Gepubliceerd in het Nederlands Dagblad op 27 juni 2012

Er zijn twee soorten mensen: de ene vindt het maken van verlanglijstjes een verschrikking, de andere soort is al maanden voor de Grote Dag in de weer met het bedenken van cadeaus. De meeste politici en mijn oudste dochter horen tot die tweede categorie, ik ben zelf van het type dat daar niets van snapt.

Mijn dochter wordt bijna zes. Zoals het hoort op die leeftijd heeft ze een wensenlijst die een redelijk verjaardagsbudget ver overtreft. Ze heeft hier een slimme oplossing voor bedacht: de verlanglijst opknippen en zoveel mogelijk mensen inschakelen om een stukje van het cadeau te kopen.

De dames en heren politici hebben de afgelopen weken ook hun wensenlijsten gepresenteerd, in de vorm van verkiezingsprogramma’s. Hypotheekrenteaftrek behouden, een sterker Europa, geld voor onderwijs of juist voor zorg. Het budget is beperkt, de wensen talrijk. Dus ook daar geldt: als je iets voor elkaar wilt krijgen moet je het zelf organiseren. Hoe doen ze dat? Het lijkt erop dat politieke partijen hierbij een voorbeeld nemen aan lobbyisten. In zijn boek 'Je hebt het niet van mij, maar...' liet Joris Luyendijk al zien dat die lobbyisten hun pijlen nauwelijks richten op politici of ministers – maar op ambtenaren. Want dat blijkt de plek waar de macht zit.

Dat de ambtenarij macht heeft is geen geheim. Ambtenaren geven vorm aan de uitvoering van regelgeving en hebben een sterke invloed op besluitvorming. Maar ze leveren ook input voor verkiezingsprogramma's en voor het regeerakkoord in de fase van onderhandeling. Het ideaalbeeld van de strikte grens tussen politiek en ambtenarij is daarmee al lang vervlogen. Sterker nog, politiek en bureaucratie smelten steeds meer samen. Directeuren van ministeries prijken hoog op de kandidatenlijsten van politieke partijen. En bij schaduwverkiezingen in 2010 bleek dat op meerdere ministerie met gemak een coalitie gevormd kon worden van GroenLinks en D66.

Dat lijken grappige feitjes, maar het is veel meer dan dat. Als (top)ambtenaren politiek zo actief zijn, betekent het dat zij een grote rol spelen binnen een partij en tegelijkertijd een regerend minister adviseren. En wanneer het merendeel van de ambtenaren van één politieke kleur is, zullen de adviezen voor de regering dat stempel dragen – ook als de coalitie een totaal andere kleur heeft. Daar zit iets fout. Politieke partijen leveren zo niet alleen een verlanglijst in, ze doen ook zelf de inkopen.

In dat licht deed de PvdA half juni een interessant voorstel. De partij wil dat bij ieder wetsvoorstel inzichtelijk wordt welke invloed lobbyisten hebben uitgeoefend op bewindspersonen. Een goed voorstel, maar volgens mij te beperkt. Lobbys komen niet alleen van buiten. Ze zijn aanwezig tot in de toppen van ministeries, en ook die invloed zou transparant moeten zijn. Dan kunnen we zien wie er aan het organiseren is geslagen om zijn zin te krijgen. Maar het zou zomaar kunnen zijn dat partijen niet zo veel zin hebben om daar al te open over te zijn.


woensdag 23 mei 2012

Later blijft alles beter

Gepubliceerd in het Nederlands Dagblad op 23 mei 2012

'De afgelopen jaren heeft ons bedrijf heel wat te verstouwen gehad,' zuchtte de man. 'We hebben allerlei reorganisaties uitgevoerd, om klaar te zijn voor wat wij dachten dat de toekomst was. Maar nu de nieuwe organisatiestructuur bijna klaar is komen we tot de ontdekking dat de wereld om ons heen er totaal anders uitziet. We hebben al die tijd gewerkt aan een idee dat achterhaald blijkt te zijn.'

'Niets is blijvend, behalve verandering', zei de Griekse filosoof Heraclitus zo'n 2500 jaar geleden. Een uitspraak die nog altijd actueel is. Waar ik ook kom – bij bedrijven, overheden, non-profit instellingen – overal wordt veranderd. De achterliggende reden klinkt als een refrein door al deze organisaties: we moeten met minder toe, én het moet beter. En dus moet alles anders.

Ondertussen is het niet helemaal duidelijk waar al die reorganisaties nou precies over gaan. Er moet vaak efficienter gewerkt worden en omgangsvormen moeten zakelijker. Maar steeds vaker gaan verandertrajecten een slag dieper. Dan gaat het niet alleen over taken en handelingen, maar ook over hoe mensen in hun werk staan en wat bedrijven, teams en medewerkers drijft. Zo'n cultuuromslag is een ingrijpend traject, dat volgens de traditionele organisatiewetenschappen zijn tijd nodig heeft. In de huidige verandercultuur wordt echter steeds vaker gevraagd hoe snel het kan in plaats van hoe lang zo'n traject nodig heeft. Het gevolg hiervan is snelle verandering op snelle verandering: terwijl de medewerkers opgelucht ademhalen omdat hun baan niet geschrapt is, moeten ze al weer diep moed inademen om te wennen aan een nieuwe cultuuromslag. Kortom: niets is blijvend, behalve verandering. Geen wonder dus dat de woorden van Heraclitus in het moderne Europa het motto zijn geworden voor een cultuur van 'veranderingsmanagement'.

De filosoof uit Efeze deed deze uitspraak echter in de context van zijn theorie. Die wordt vaak geïllustreerd door te stellen dat je nooit twee keer in dezelfde rivier kunt stappen. Want de tweede keer dat je in het water stapt zijn zowel de rivier als jijzelf een klein beetje veranderd. Dat voorbeeld past bij de lome, trage verandering van veroudering of van het wisselen van de seizoenen. De toepassing op snelle bliksemreorganisaties is eigenlijk veel minder logisch.

Werkend Nederland kent inmiddels een groot aantal werknemers die al jaren door allerlei reorganisaties gaan en steeds vechten met onzekerheid over hun baan. Die medewerkers zijn moe en murw geslagen. Ze zijn toe aan rust en continuïteit.

Gelukkig is er ook een beweging te zien die daaraan bijdraagt: duurzaam werken. Steeds meer bedrijven denken erover na hoe ze ervoor kunnen zorgen dat het personeel hun werk goed kan volhouden. Ook dat kan verandering betekenen: de een krijgt er misschien een taak bij, terwijl de ander juist een stapje terug doet. Dat is een vorm van verandering die eigenlijk veel beter bij Heraclitus' uitspraak past: een verandering die tegelijkertijd continuïteit is.



woensdag 25 april 2012

Politiek te koop!

Gepubliceerd in het Nederlands Dagblad op 25 april 2012

In mijn stad vestigt zich binnenkort een H&M. Dat is voor het kwijnende historische centrum een hele opluchting, want nu trekken de winkelstraten misschien wat meer publiek. Ik denk dat de stad dat mis heeft. In plaats van een winkelketen voor jongeren, had de stad beter een keten voor ouderen kunnen werven. Want dat is de nieuwe doelgroep.

Niet alleen winkelstraten zoeken naar nieuwe doelgroepen. Ook Geert Wilders zoekt nieuwe klandizie. Hij heeft ontdekt dat 50+ers booming business zijn. Afgelopen zaterdagavond zei hij steeds: ‘ik kan niet snijden in de AOW van onze ouderen. Dat is niet waar de PVV voor staat’. Daarmee lanceerde hij meteen zijn koers voor de komende verkiezingscampagne. De PVV als de nieuwe ouderenpartij. Maar waarom?

Een politieke partij is een merk. En zoals bij de meeste merken is populariteit maar beperkt houdbaar. Volgens wetenschapper Malcolm Gladwell hangt populariteit van een merk samen met drie verkoopfactoren. De ambassadeur die het merk heeft vormen de eerste factor. Daarnaast speelt de context van het merk een grote rol. Als derde noemt Gladwell de ‘beklijvende factor’: hoe onweerstaanbaar je merk is wordt bepaald door de manier waarop je informatie presenteert.

Die beklijvende factor is Geert Wilders’ sterkste punt: of je het met hem eens bent of niet, zijn uitspraken blijven hangen. Fitna is hier het beste voorbeeld van: de maandenlange spanning rond de film liet een immense indruk achter. Juist de kracht van die presentatie begon bij Wilders de laatste tijd af te brokkelen. Het tegendraadse en eigenzinnige in zijn houding dat hem zo populair maakte verdween. Hij werd een politicus als alle andere.

Tegelijkertijd veranderde nog een factor: de context van zijn boodschap. Met het verhaal over immigratie en islam raakt Wilders niet langer aan de diepste angst van zijn kiezer. Zijn kiezers liggen niet meer wakker van de Marokkaanse jongens op de hoek, maar hebben vooral slapeloze nachten van hun lege bankrekening. Geert Wilders realiseert zich dat.

Om geen stemmen te verliezen moest hij daarom met een nieuw verhaal komen op een moment dat zo’n verhaal maximale aandacht kon krijgen. Zo kon Wilders in één keer op de nieuwe context inspelen, op een moment waarop de beklijvende factor van zijn boodschap het hoogst was. Wilders’ actie van zaterdag was volgens mij zorgvuldig gepland. De coalitie is geklapt omdat het merk Geert Wilders nieuwe klanten nodig had.

Maar politiek is geen supermarktoorlog. Het land besturen is iets anders dan je winkelstraat vernieuwen. Nog niet zo lang geleden geloofden regeerders dat zij een ambt vervulden. Regeren was vooral een dienend beroep.

Het zou me veel waard zijn als in de komende verkiezingstijd politieke partijen hun marketingcampagnes achterwege laten. Ik ben geen klant van politieke ideeën en geen consument van partijprogramma’s. Mijn stem is voor de partij die me geen slogans verkoopt, maar laat zien dat hij kan dienen.

woensdag 25 januari 2012

Mens of resultaat?

Gepubliceerd in het Nederlands Dagblad op 25 januari 2011

Benno is een wat stille jongen van zeven. In de klas voert hij nooit de boventoon, maar bij bloeit op als hij de kans krijgt de meest ingewikkelde sommen te doen. Zijn juf ziet zijn talent, en doet er alles aan om Benno te helpen dat te ontwikkelen. De school noemt dat: ontwikkelingsgericht onderwijs.

Achter de innemendheid van Esmée schuilt een onzekere twintiger. Als ze druk ervaart laat ze in haar werk steken vallen. Ze is daardoor al een paar jaar werkloos. Haar begeleider vanuit de gemeente heeft nu voor haar een nieuwe werkplek gevonden. Er wordt nu vooral gekeken naar wat ze goed kan en naar hoe ze zich kan ontwikkelen. De gemeente noemt dat: werken naar vermogen.

Benno en Esmée lijken nauwelijks op elkaar. Ze verschillen in leeftijd, talenten en beperkingen. Maar in de manier waarop ze begeleid worden is een mooie overeenkomst te ontdekken. De aandacht is verschoven van het behalen van resultaat naar het stimuleren van hun ontwikkeling. De filosofe Martha Nussbaum noemt dit de 'mogelijkhedenbenadering'. Nussbaum beschouwt het krijgen van mogelijkheden, zoals de kans te leren of te werken, als de basisvoorwaarde waarop ontwikkeling kan plaatsvinden.

Dat is een gedachte die past bij de Bijbel. Uit verschillende gelijkenissen kunnen we leren dat het belangrijk is talenten in te zetten en te vermeerderen. Dat we als samenleving de zwakkeren daarbij ondersteunen en de jongeren daarbij begeleiden is prachtig. In een maatschappij waarin het steeds vaker 'ieder voor zich' is, lijkt dit een welkome tegenbeweging.

Helaas houdt mijn verhaal hier niet op. Want het klinkt mooi op papier, die aandacht voor ontwikkeling, maar de vorderingen willen we wel goed kunnen meten. In een tijd waarin de overheid en de belastingbetaler elk dubbeltje moeten omdraaien letten we extra goed op wat een investering precies gaat opleveren. 'Waar voor ons belastinggeld?' is de veelzeggende titel van het onlangs verschenen SCP-rapport, waarin onder andere wordt geconcludeerd dat alle extra investeringen in onderwijs geen aantoonbaar resultaat hebben gehad. De CITO-scores zijn immers nauwelijks verbeterd.

Zo'n conclusie gaat voorbij aan de werkelijkheid, waarin de tijd tussen zaaien en oogsten vaak veel langer duurt dan één kabinetsperiode. Werken aan ontwikkeling is een zoektocht die tijd kost, en geen quick win.
Dat stelt Nederland voor een keuze. Zetten we in op persoonlijke groei van mensen of gaat het om het resultaat op de rijksbegroting? Dat die keuze valt in tijden van crisis maakt deze vraag extra spannend. Zijn we te armlastig geworden om te investeren in ontwikkeling?

Volgens Martha Nussbaum is armoede niet het ontbreken van inkomen, maar het ontnomen zijn van de mogelijkheden om te kunnen ontwikkelen. Kortom: als we Benno en Esmée de kans niet geven zich te ontwikkelen worden zij (en wij) pas echt arm. En die armoede kan met geen enkele belastingverhoging meer ongedaan gemaakt worden.