Posts tonen met het label artikel. Alle posts tonen
Posts tonen met het label artikel. Alle posts tonen

donderdag 21 november 2013

Over seks e.d. - openheid in de gemeente



Veel christenen missen een elementaire vaardigheid om een tegentijdse seksuele moraal vast te houden: openheid. Wat het zeker niet makkelijker maakt is de radicale toon van christenen over seks en relaties. 

In haar documentaire Sletvrees – en in het gelijknamige boek – stelt Sunny Bergman ‘het laatste seksuele taboe’ aan de kaak: dat we mannen cool vinden als ze met veel vrouwen het bed delen, terwijl we vrouwen die dat met veel mannen doen, sletten noemen.

Ik zag de documentaire afgelopen donderdag. De dag erop stond een interview met Bergman in het Nederlands Dagblad (15 november). Daarin toonde zij zich vooral een feministe. Ze benadrukte dat ze geen vooral geen hedonistische levensstijl propageert, maar dat ze ongelijkheid tussen mannen en vrouwen wil aanvechten. Mannen kunnen zorgeloos onenightstands hebben, terwijl vrouwen die dat doen, zich zorgen moeten maken om hun reputatie; dat is volgens Bergman niet eerlijk.

Een week eerder viel bij ons thuis een themanummer van het Volkskrant Magazine op de mat, helemaal gewijd aan Sletvrees. Mijn man vond dat een reden om de Volkskrant op te zeggen; ik vond het eerder een bewaarnummer.

Het was samengesteld als een feestnummer waarin seksuele vrijheden werden toegejuicht. Het magazine las daardoor als een bloemlezing van meningen en opinies rondom de moderne seksuele moraal. Sunny Bergman toonde zich in dit themanummer een stuk uitgesprokener dan in het ND: ‘Het idee dat vrouwen liefde en seks niet kunnen scheiden, daar geloof ik niet in. Als de seks fijn is, kun je er best liefdesgevoelens bij hebben. Maar dat hoeft niet per se en het hoeft ook niet meteen heel zwaar te zijn, niet gekoppeld aan een belofte.

In de documentaire zelf lopen het feminisme en activisme nogal door elkaar. Bergman haalt diverse wetenschappers in beeld om aan te tonen dat het niet de biologie is, maar dat het onze culturele verwachtingspatronen zijn die verschillen in seksuele beleving tussen mannen en vrouwen veroorzaken. Maar in de film klinkt ook een veel radicaler geluid door: dat we niet te preuts moeten doen over mensen die (heel) veel seksuele partners hebben. Deze tweede, minstens zo belangrijke boodschap blijft in het ND-interview een beetje tussen de regels hangen. De seculiere Volkskrant maakt deze boodschap juist heel expliciet: ‘Seks hoor je te doen. Je bent gek als je het niet doet, je bent helemaal gek als je het in je leven maar met één persoon zou proberen. Waarom zou je? Alles kan en mag! Dan ga je je toch niet beperken?’

In haar gedrevenheid het taboe rond seksueel actieve vrouwen te doorbreken schept Bergman zo het volgende taboe: het leiden van een monogaam seksleven. Ik vind dat een heftige ontwikkeling en maak me er zorgen over. Want steeds meer mensen vinden je – net als Sunny Bergman – niet helemaal sporen als je seks verbindt aan een belofte, of wanneer je levenslang trouw bent aan één persoon. De christelijke seksuele moraal wordt dus steeds minder geaccepteerd en zelfs als bespottelijk weggezet. Dat weglachen van monogamie raakt aan de kern van onze christelijke waarden. Als de documentaire van Bergman voor mij iets illustreert, dan is het dit: we hebben als christenen een heel erg tegentijdse moraal vol te houden.

Het is niet voor het eerst in de geschiedenis dat de christelijke kerk voor die uitdaging staat. Onlangs hoorde ik een lezing van Robert Doornenbal, die duidelijke parallellen trekt tussen de huidige cultuur en de omgeving waarin de vroegchristelijke gemeenten uit de tijd van het Nieuwe Testament zich staande moesten houden. Ook deze gemeenten leefden in een tijd van materialisme, vreemdelingenhaat en seksuele uitspattingen. Zij stonden bekend om hun tegentijdse moraal: deze gemeenten kozen voor het delen van geld en goed, voor gastvrijheid en voor monogamie. Doornenbal stelt dat we ook nu in een wereld leven waarin het christelijk geloof in de marge is verdreven en niet langer de centrale cultuur is. Daarin moeten we opnieuw zoeken naar een eigen positie en een onderscheidende identiteit. Dat gaat vaak tegen de stroom in.

Ik zie onze kansen om daarin te slagen somber in, omdat de gemeenten van nu volgens mij de elementaire vaardigheid missen die nodig is om die moraal vol te houden: openheid. In de meeste christelijke gemeenten, in de meeste christelijke media en thuis in onze gezinnen weten we helemaal niet zo goed hoe we open kunnen spreken, laat staan over seksualiteit. Christelijke reflecties op seksualiteit vervallen vaak in oproepen tot radicale keuzes of waarschuwingen tegen porno en verleiding. Seksualiteit wordt vaak aangekaart op een directieve manier, waarbij er weinig ruimte is voor discussie en gesprek. Jan Willem Veenhof noemde dat afgelopen augustus in het Nederlands Dagblad ‘eenrichtingsverkeer’: “We zijn heel goed in het plaatsen van verkeersborden bij dat eenrichtingsverkeer, variërend van ‘stopborden’ (‘geen porno kijken’), via ‘verboden om te draaien’-borden (‘niet terugvallen’) tot borden die de verplichte rijrichting aanwijzen, als op een rotonde (‘alleen zó word je zoals God je bedoeld heeft’).” In mijn eigen pubertijd ontstond er zo’n radicale stroming rond het boek Ongekust en toch geen kikker. Hoewel de auteur van het boek wilde oproepen tot gesprekken over seksualiteit en relaties, vormde zijn boek het begin van een beweging waarin dat gesprek vaak beperkt bleef tot oproepen. ‘Maak een keuze! Doe dit ook!’.

Die radicale toon maakt het niet makkelijker om open en persoonlijk te praten over relaties. Sterker nog, het maakt een gesprek over seksualiteit vanuit het geloof al snel moraliserend – en daardoor afstandelijk. Gesprekken blijven daardoor erg aan de oppervlakte. Ze draaien uit op het herhalen van sociaal wenselijke stellingen en antwoorden, maar gaan niet over diepere drijfveren of emoties – laat staan over echt gevoeld berouw, verdriet of twijfels. In zekere zin plaatst zo’n oproep tot radicaliteit de seksuele beleving dus net zo goed buiten de geloofsbeleving.

Door die afstandelijkheid lijkt de manier waarop we in de kerk seks bespreken gek genoeg erg op de manier waarop Sunny Bergman haar kijkers door de documentaire loodst. Hoewel seks een van de intiemste onderwerpen is, is er ook in haar film vrijwel geen ruimte voor emoties. Sletvrees bevatte maar één scene die mij echt raakte: het moment waarop een meisje in tranen uitbarst tijdens een workshop ‘Ontdek je innerlijke slet’. Ze staat daar, heftig opgemaakt en uitgedost in sexy ondergoed, en snikt tegen haar medecursisten: ‘Jullie zijn zo mooi, maar ik voel me zo lelijk. Niemand wil mij.’

In het ontwapenende verdriet van dit hoerig opgedirkte meisje herkende ik mijn eigen diepe onzekerheid als tienermeisje. En die gevoelens zijn voor veel meer mensen herkenbaar. Het laat zien dat seksualiteit nauw samenhangt met diepere waarden als zelfwaardering, vertrouwen in anderen, het besef gekend en geliefd te zijn. Ik denk dat ons onvermogen om open over seksualiteit te praten samenhangt met het gebrek aan echt contact dat er binnen veel gemeenten is over deze diepere waarden.

Als u nu denkt dat het wel meevalt, daag ik u uit eens na te denken over de volgende voorbeelden. Zo’n 5-10% van alle Nederlanders heeft homoseksuele gevoelens. Waarschijnlijk dus ook in uw gemeente. Hoe vaak wordt er in uw kerk voor hen gebeden? En er is heel wat christelijke beeldspraak die illustreert hoe waardevol het is om seks binnen het huwelijk te houden. Maar hoe behulpzaam zijn onze voorbeelden voor het stel dat (nog) niet getrouwd is, of voor twee partners bij wie het vuur in de eigen relatie al jaren gedoofd is? Wie praat daar open over in de kerk, in een vertrouwde Bijbelstudiegroep of zelfs met eigen vrienden of familie? 
Voor mij zijn dit retorische vragen. Het antwoord: veel te weinig. Dat heb ik de afgelopen jaren zelf meer dan eens ervaren, bijvoorbeeld toen ik als vierdejaars student ongepland zwanger werd – voordat we getrouwd waren. Dat kun je niet verstoppen. Juist daardoor werd ik een aanspreekpunt voor jonge vrouwen die met mij deelden hoe ze worstelden met seks voor het huwelijk in de relatie met hun vriend. Want wat als je het al hebt gedaan, maar die grens toch weer terug over wilt steken? Bij wie kun je dan raad vragen? En bij wie in je gemeente kun je terecht als je als meisje of jongen een ballast meezeult van ongewenste seksuele intimiteiten? Of wanneer je een misstap hebt begaan en behoefte hebt aan een open gesprek over wat er is gebeurd?

Ik denk niet dat het verstandig is om dergelijke vragen in één keer op uw volgende kringavond op tafel te leggen. Onderlinge openheid heeft vertrouwen nodig, en dat moet groeien. Maar dat groeien begint met praten, delen, met echt contact. En u en ik kunnen wel besluiten om daar vanaf nu mee te beginnen. Breng, binnen en buiten de gemeente,  gesprekken op gang over geloof, relaties en seksualiteit – en wees daarin zelf ook bereid tot een eerlijke openheid. Stel eens een echt geinteresseerde vraag aan het tienermeisje voor u in de kerkbanken, of aan het pas gescheiden gemeentelid. En vooral: luister naar hun antwoorden. 

 

woensdag 25 september 2013

Supermarktfatsoen

Dit artikel is op 25 september 2013 verschenen in het Nederlands Dagblad.
Verantwoordelijkheidsgevoel begint meestal in de supermarkt. Op de broodafdeling, in mijn geval. Want daar had ik mijn eerste baantje. Daar merkte ik iets eenvoudigs: als ik niet op tijd aanwezig was om het brood te snijden bleven de schappen leeg. Zo leerde ik het belang van op tijd zijn, klantvriendelijkheid en het vervullen van vaste taken. Gewoon goed gedrag in je dagelijkse werk. Ook wel genoemd: fatsoen.

We hebben een zomer achter de rug vol onfatsoenlijkheid. Bestuurders van stichtingen en onderwijsinstellingen bleken tonnen te incasseren. En in de zorg volgde het ene faillissement door wanbestuur (Maevita) op het volgende bijna-faillissement (Philadelphia). Wat is de  oorzaak?

In managementjargon zijn termen als 'fatsoen' en 'moraal' smerige woorden geworden. Ze worden gezien als suffige deugden van vroeger, net als matigheid, punctualiteit en geloof. Waarden die niet passen bij de hang naar vernieuwing en innovatie die leidinggevenden tijdens bijscholingsdagen voortdurend krijgen ingepeperd. Sterker nog, Yoeri Albrecht geeft morgenavond een lezing in de Balie met als titel “controle en fatsoen zijn de vijand van vooruitgang.” Want “nieuwe ideeën kunnen alleen ontstaan waar vrijheid van gedachten en meningsuiting heerst. En zonder nieuwe ideeën is de samenleving gedoemd te verstenen en te verarmen.”

Albrecht vat hiermee een geloof in innovatie en vooruitgang samen dat veel bedrijven, instellingen en overheden in een nare klem houdt. We moeten allemaal voortdurend vrij denken, verbeteren en innoveren. Gewoon je werk doen is maar beperkend en laat de samenleving verarmen. Zorgvuldig je werk doen is zelfs fataal voor onze toekomst.

Dat dergelijke opvattingen na vijf jaar crisis de wereld nog niet uit zijn is schrijnend. Volgens innovatiespecialist Wichert van Engelen moeten organisaties juist 99% van hun energie inzetten op het gewone proces. Dan voeren ze hun kerntaken gewoon goed uit. Daarnaast komt innovatie, om klaar te zijn voor veranderingen. Wie die balans omdraait verliest de werkelijkheid uit het oog. Dat is precies wat bij veel wanbestuurders is gebeurd. De oorzaak van bestuurlijk falen en de extreme uitspattingen bij woningcorporaties, scholen en zorginstellingen? Er is te vaak en te veel ‘out of the box’ gedacht.  

Om bestuurders weer te leren hoe ze fatsoenlijk leiding moeten geven, trekt de overheid allerlei commissies uit de kast. Minister Schippers kondigde vorige week aan kwaliteitseisen te gaan opstellen waar bestuurders in de zorg aan moeten voldoen. En voor 1 oktober presenteert de commissie Halsema haar gedragscode voor behoorlijk bestuur in de semipublieke sector.

Het zegt wat dat de bestuurdersgeneratie van nu dergelijke regeltjes nodig heeft. Wie weet zijn de eisen van Schippers en de code van Halsema een afdoende remedie. Maar elke bestuurder die zo'n code nodig heeft om fatsoen te leren, kan volgens mij beter op stage gestuurd worden naar de supermarkt. Voor de meeste bestuurders is dát pas echt vernieuwing.
 
 

donderdag 29 augustus 2013

Soort bij soort

Dit artikel is op 28 augustus 2013 verschenen in het Nederlands Dagblad.

Dit voorjaar liep mijn dochter voor het eerst de jeugdavondvierdaagse. Ik stond langs de kant, er trokken tientallen scholen in defilé voorbij. Of het nu lag aan de liedjes en leuzen die werden gezongen, of aan de kleding van de kinderen, of aan het aantal ouders dat tijdens het meelopen een sigaretje opstak – ik begreep ineens het spreekwoord 'soort zoekt soort'. Ik zag arbeidersscholen, zwarte scholen, yuppenscholen en janmodaalscholen – maar nergens een lekker goed geintegreerde mix.
 
Soort mag weer bij soort. De vorige minister van onderwijs, Marja van Bijsterveld, maakte daar al geen geheim van. 'Zwarte scholen zijn een feit,' zei ze al in 2011. 'Het gaat om de kwaliteit van het onderwijs. Of een school dan wit of zwart is, is minder belangrijk.' 

Daar heeft ze wel gelijk in. Segregatie met mate is geen ramp – en het is bovendien niet te voorkomen. Want ouders kiezen voor een school waarbij ze zichzelf herkennen in het publiek, zo bleek uit onderzoek van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling. Zien hoogopgeleide ouders teveel mensen in een joggingbroek op het schoolplein staan, dan fietsen ze een schooltje verder. Arbeidersgezinnen en allochtone families bleken precies hetzelfde te doen. Kortom: enige segregatie kiezen we zelf. Toch is die segregatie wel gevaarlijk, waarschuwde de socioloog Michael Young al in 1958. Hij was bang voor een samenleving waarin kinderen van hoger en lager opgeleiden volstrekt gescheiden opgroeien. Volgens Young kan dat alleen maar leiden tot opstand en onrust.

Segregatie stimuleren is dus allerminst verstandig. En toch is dat precies wat Sander Dekker, de huidige staatssecretaris, doet. Hij gebruikt daarvoor twee voorstellen. Allereerst moedigt hij de komst aan van ICT-scholen en 'excellente' scholen. Daarnaast wil hij tweetalig onderwijs op basisscholen bevorderen. En dan doelt hij niet op Marokkaans-Nederlands of Farsi-Nederlands. Nee: Dekker pleit voor een grootschalige invoering van het Engels, vanaf de onderbouw.

Ik denk dat de staatssecretaris niet zo vaak bij een arbeidersschool is langsgeweest, laat staan bij een zwarte school. Want na één bezoek had hij de keerzijde van zijn plan ingezien. De kleuters die hier in groep 1 instromen beheersen het Nederlands maar matig. Deze scholen zullen dus hun handen vol hebben aan het ondersteunen van de leerlingen die een achterstand in het Nederlands moeten wegwerken. De kwaliteit van het onderwijs, waar van Bijsterveld in 2011 nog zo op hamerde, wordt nu door Dekkers plannen juist ongelijk verdeeld. De extra's – zoals ICT, 'excellentie' en Engels – worden voorbehouden aan de elite-scholen.

Welke scholen dat zijn, dat was afgelopen lente tijdens deze avondvierdaagse al scherp zichtbaar. Maar als Dekker zijn zin krijgt is dat over tien jaar nog versterkt. Dan kent de helft van de leerlingen het spreekwoord 'soort zoekt soort' niet eens, terwijl de andere helft liedjes zingt over 'Birds of a feather flock together'.
 
 
 

zondag 21 april 2013

Wie is de mol?

Verschenen in Basis, vakblad voor Beleidsonderzoek, april 2013
Voor meer informatie of een abonnement op Basis (gratis), zie http://www.basis-online.nl/

Gisteren overkwam het me weer eens: ik fietste op straat en dacht in de fietser voor me een vriendin te herkennen. Ik voerde mijn tempo op en wilde enthousiast haar naam roepen, toen ze zich omdraaide om af te slaan – het was mijn vriendin helemaal niet.

Ik hoop dat iemand snel een uitvinding doet die voortaan dit soort situaties voorkomt. Ik voel me namelijk erg dom na zo’n vergissing. Die situatie maakt pijnlijk duidelijk dat ik niet altijd goed genoeg op details let. Daar wil ik wat aan doen, en om mezelf te trainen kijk ik fanatiek naar Wie is de Mol. Dat programma gaat zo ongeveer over tunnelvisies, en ook ik trap steeds in de val. Ik weet steeds héél zeker wie de Mol is en vind daar dan héél veel bevestigend bewijs voor, maar toch krijgt mijn Mol elke week weer een rood scherm.

Het troost me een beetje dat ik niet de enige ben met dit manco. Iets vergelijkbaars gebeurde tijdens een presentatie die ik een poosje geleden gaf tijdens een seminar van een brancheorganisatie. De daar aanwezige werkgevers dachten samen na over hun mogelijkheden om banen te creëren voor mensen met een arbeidsbeperking. Na een verhitte discussie zei een van de werkgevers: “voor iedereen die kan en wil werken maak ik een plek in mijn organisatie. En ik heb nog nooit een werknemer gezien die wel wilde, maar niet kon.”

Er klonk applaus, de discussie was voorbij. Dat was nog eens een mooie oplossing. Maar ik was niet zo tevreden. Ik dacht: klopt dat wel? De redenering van de werkgever is aanlokkelijk, want als het waar is hebben we meteen een probleem opgelost. Maar wie even doordenkt merkt dat het niet klopt. Het is heel goed mogelijk dat de afdeling P&O van bovengenoemde werkgever ervoor zorgt dat hij geen mensen ontmoet die graag bij hem willen werken, maar dat niet kunnen. De werkgever sprak dus wel de waarheid, maar het is zíjn waarheid, gebaseerd op onvolledige informatie.

De manier van redeneren van deze werkgever komt vaker voor dan je denkt. Bijvoorbeeld: “In onze stad neemt het aantal Antillianen toe. Onder Antillianen komen soa’s meer voor dan onder andere bevolkingsgroepen. Dus moeten we een preventiecampagne gaan beginnen.” Of, een beroemde: “ik heb nog nooit een zwarte zwaan gezien, dus er bestaan alleen maar witte zwanen.”

Er zijn een paar bezwaren tegen deze redeneringen. Allereerst: dat we zelf de uitzonderingen niet kennen, wil niet zeggen dat ze niet bestaan. Maar er kan ook een onbekende invloedsfactor zijn die je theorie sterk beïnvloedt zonder dat je het weet. Een verschijnsel staat zelden op zichzelf, omdat de werkelijkheid haast per definitie complex is. Het leukste aspect van onderzoek vind ik: dat het als onderzoeker je taak is om die onverwachte, onvermoede invloedsfactoren boven tafel te krijgen. Misschien is dus de beste strategie voor een nieuw seizoen Wie is de Mol: geen strategie. Geen hypotheses opstellen, maar alles wat belangrijk kan zijn inventariseren. Wie weet, zit ik dan een keer goed.


donderdag 28 maart 2013

De jeugd van later

Dit artikel is ook gepubliceerd in het Nederlands Dagblad van 27 maart 2013

Eerst kwam ik een stampvoetende peuter tegen die tegen mij, een voor haar volslagen onbekende, schreeuwde: “Ik. Wil. Dat. Jij. NU!!! Met. MIJ!! Een. Spelletje. Doet!!” Hoewel ik als moeder van twee dochters wel wat gedrein gewend ben, kon ik bij het zien van deze boze peuter alleen maar denken: waar gaat dat heen? Wordt dit de jeugd van later?

Vervolgens las ik een verontrustend interview met de voormalig voorzitter van de Eurogroep Jean-Claude Juncker in het Duitse tijdschrift Der Spiegel. Juncker zei daarin dat de huidige situatie in Europa erg vergelijkbaar is met de periode na de Eerste Wereldoorlog. Allerlei anti-sentimenten steken de kop op. Duitsers hebben een afkeer van Grieken en omgekeerd. Turkse jongeren spreken zich openlijk uit tegen Joden, het diskwalificeren van hele bevolkingsgroepen (immigranten, ouderen) begint gemeengoed te worden.

Dat is niet zo vreemd. In risicovolle, spannende tijden gaan mensen op zoek naar houvast. Dat vinden we in het uitvergroten van verschillen tussen onze eigen groep en de anderen, wij en zij. Juncker verbond daar een aantal gewaagde consequenties aan: die houding holt volgens hem de democratie uit, en leidt uiteindelijk tot oorlog. Oftewel: hoe harder we stampvoetend ikke, ikke, ikke roepen, hoe onveiliger Europa wordt en hoe dichter we een oorlog naderen. 

Ik moest weer even terugdenken aan deze twee situaties terwijl ik afgelopen week het boek opensloeg van de Amerikaanse psychiater Rudolf Dreikurs. Hij publiceerde in 1964 zijn principes voor de opvoeding, die een alternatief moesten vormen voor lijfstraffen: 'met een zweepje achter uw kind aanlopen heeft geen zin, moeder!' Ik vind vooral het opvoeddoel van Dreikurs interessant. Hij streeft niet naar succesvolle of beleefde kinderen, of naar mensen zelfverzekerd zijn en hun talenten kennen. Het doel van Dreikurs' opvoedmethode is 'het jonge mensje op te voeden tot deelnemer aan een democratische maatschappij, waarin mensen elkaar achten, met elkaar samenwerken, verantwoordelijkheid voor het grotere geheel willen dragen en meer in 'wij' dan in 'ik' begrippen denken, op basis van een gezond gevoel van eigenwaarde.'

Dit uitgangspunt maakt Dreikurs' opvoedprincipes bijna tot een politiek manifest. Onze democratie staat of valt met het resultaat van de opvoeding van onze kinderen. Juncker zou misschien zelfs zeggen: een goede opvoeding voorkomt een oorlog. Dat stelt de ouders van nu voor een forse taak, waar ze alle (pedagogische) ondersteuning bij nodig zullen hebben van grootouders, leerkrachten en buren. Laten we daarom ophouden met bakkeleien over de CITO-toets, en ons richten op de kinderen zelf, de jeugd van later. Dat is – zeker binnen kerkelijke gemeenten – een taak van alle generaties. Er staat een oorlog op het spel.



donderdag 28 februari 2013

Niet strafbaar

Wat zijn de overeenkomsten tussen succesbedrijf Apple, failliete scholenkoepel Amarantis en staatsbank SNS? Overeenkomst één: ze zorgden afgelopen weken alle drie voor nieuws. Apple bespaarde miljoenen euro's door een slimme belastingroute langs Nederlandse brievenbusfirma's te gebruiken. Dat is voor Apple natuurlijk prachtig, maar met veel anderen vroeg ik me af: is dat wel legaal? Overeenkomst twee: diezelfde vraag was het refrein van de discussies over Amarantis en SNS. De onzorgvuldige overnames, het misbruik van personeelsregelingen en de exorbitante salarissen van bestuurders geven een wat ongemakkelijk gevoel. Mag dat allemaal zomaar?

In het klein vinden we dergelijke constructies veel minder problematisch. Niemand ziet er kwaad in om naar een andere supermarkt te fietsen, waar het brood goedkoper is. Overstappen naar een andere werkgever die betere arbeidsvoorwaarden biedt is helemaal niet vreemd, en gelukkig is het doen van verkeerde aankopen niet strafbaar. Zo staat het ook bedrijven vrij om, binnen de grenzen van de wet,  zo min mogelijk belasting te betalen. Vorige week zei de onderzoekscommissie van Femke Halsema dan ook het volgende over Amarantis: “er zijn geen strafbare feiten gepleegd, maar er is onbehoorlijk profijtelijk voor het eigen gewin gezorgd.” De derde overeenkomst is daarom: het gedrag van Apple, Amarantis en SNS is wel te veroordelen, maar niet strafbaar. De wet blijkt soms ruimer dan de moraal verlangt.

Wat is daar tegen te doen? Femke Halsema schrijft dat “ongewenst gedrag alleen is terug te dringen door het gedeelde moreel bewustzijn te versterken.” Het is dus tijd onze normen en waarden weer eens op te poetsen. Dat klinkt mooi, maar het is denk ik niet genoeg. De praktijken bij SNS, Apple en Amarantis zijn juist ontstaan in de jaren dat Balkenende ijverde voor de terugkeer van ons geweten. Maar als wetten en moraalridders dergelijke situaties niet kunnen voorkomen, wat dan? 

Een oplossing schuilt hierin: de wet kan ook strakker zijn dan dat moreel acceptabel is. Wat zal er bijvoorbeeld gebeuren wanneer al personeel in Nederland zich exact aan de werkuren gaat houden? Niemand doet meer een stap harder, niemand werkt een half uurtje langer om een belangrijke klus nog even te klaren. Het gevolg is denk ik snel te merken: als we ons massaal precies aan wet en regels houden ligt het (trein)verkeer, bedrijfsleven en de overheid binnen 24 uur plat.

Daarom hier een gulden tip voor iedereen die klant of werknemer is van een organisatie die – hoewel legaal – volstrekt amoreel bezig is. Keer het om, dwing morele verandering af. Niet door te staken of te demonstreren, maar door naar de letter van wetten en regels te gaan handelen. Houd je exact aan alle voorschriften en regels. Geef bijvoorbeeld alle nodige én onnodige wijzigingen door aan de administratie. Of doe geen tittel of jota meer dan dat in je functieomschrijving staat. Dat is niet strafbaar, maar wel ontregelend. En ongetwijfeld is het in no time uiterst effectief.


woensdag 24 oktober 2012

Held of Kneus?


Gepubliceerd in het Nederlands Dagblad op 24 oktober 2012

“Ik vind het een loffelijke taak om een man met een minimuminkomen een menswaardige woning te geven. Maar niet als het ten koste gaat van andere mensen. Niet als belastingen erdoor verhoogd worden”. Is dit een citaat uit een interview met Mark Rutte of een quote van de Republikeinse presidentskandidaat Mitt Romney? Het antwoord: geen van beide – of allebei. Het is een zin uit een van de klassiekers van schrijfster Ayn Rand, die beide politici sterk beïnvloedt.

Het is toeval dat ik een week of zes geleden The Fountainhead opsloeg, het boek waarmee Ayn Rand in ’43 doorbrak in Amerika. In de weken die het me kostte om de 750 gortdroge pagina’s van het boek door te akkeren, laaide de verkiezingskoorts in de VS op – en begonnen de overeenkomsten tussen de opmerkingen van Mitt Romney en die van Rands helden me op te vallen. Wat googlen leerde me al snel dat Rand een van de motors achter het republikeinse gedachtengoed is. Ze is een icoon van de Tea Party, die spandoeken gebruikt met leuzen als ‘Rand was Right’. Maar de invloed van Ayn Rand reikt verder. Na de Bijbel is haar tweede grote roman, het 1100 pagina’s tellende Atlas Shrugged (1957) het meest gelezen boek in de Verenigde Staten. Die twee boeken vormen overigens een bijzonder stel: waar de Bijbel naastenliefde predikt, is egoïsme de hoogste deugd in de wereld van Ayn Rand. De Republikeinse partij heeft een merkwaardige mix van die twee gemaakt. Conservatief christendom gaat daarbij samen met het egoïstische kapitalisme van Rand, waarin het eigen kunnen centraal staat en naastenliefde een taboe is.

Volgens Ayn Rand bestaan er maar twee soorten mensen: makers (helden) en takers (kneuzen). De helden zijn steeds bijzonder getalenteerd, gedisciplineerd en ongenaakbaar. Het zijn vernieuwers en ondernemers. De kneuzen noemt Rand 'tweedehands mensen'. Zij hebben geen oorspronkelijke ideeën maar lopen de publieke opinie achterna. Zij zijn de 'stem van het volk'.

Mitt Romney maakt graag gebruik van dit onderscheid tussen makers en takers. In zijn carrière als harde saneerder in het bedrijfsleven deelde hij werknemers in die twee groepen in, en bepaalde zo wie ontslagen moest worden en wie mocht blijven. Ook in de campagne zet Romney Rands filosofie in. Zei zei hij onlangs dat hij verwacht dat 47% van de Amerikanen op Obama zal stemmen omdat ze afhankelijk zijn van de overheid voor hun levensonderhoud. Wie zijn voorliefde voor Rand kent, ziet de dubbele bodem. Romney bedoelde: wie op Obama stemt is een taker, een kneus. Maar wie een maker is stemt op mij.

Amerikanen groeien op met de ideeen van Ayn Rand zoals wij opgroeien met Annie M.G. Schmidt. Haar boeken worden gratis uitgedeeld op high schools. Romneys tactiek kan daardoor een groot effect hebben. Of de Amerikanen het zelf doorhebben of niet, ze zullen in het stemhokje antwoord geven op de vraag: ben ik een kneus of een held?


woensdag 25 juli 2012

Dooi in Genemuiden

Gepubliceerd in het Nederlands Dagblad op 25 juli 2012

Soms vraag ik me af op welke manier geschiedschrijvers later de periode waarin we nu leven zullen typeren. Misschien dat ze voor het Europa van nu het woord 'vastgevroren' zullen gebruiken: vastgevroren in routines en gedachtenpatronen. Maar die typering geldt niet alleen voor Brussel. We zijn nog gewend te praten over groei en ontwikkeling, maar in de praktijk zitten veel mensen zelf ook vast in een patstelling. Ze zitten vast in een vervelende baan, in een uitkeringssituatie of aan torenhoge lasten. Het praten over groei en verandering steekt daar schril bij af: dat zijn niet meer dan holle frasen.

Zelf zat ik de afgelopen maanden ook vastgevroren. Ik betrap mezelf erop dat mijn houding allengs sceptischer en cynischer wordt – bijna zonder dat ik het door heb. De optimistische momenten die ik vroeger vaak had, waarop ik dacht de wereld te kunnen verbeteren dankzij dat ene goede idee, worden steeds schaarser – en ik word steeds cynischer. De Duitse filosoof Peter Sloterdijk beschrijft zulk cynisme als verlicht verkeerd bewustzijn. Daarmee bedoelt hij: de mens weet wat hij (fout) doet, maar doet het toch, want de 'dwang der dingen' en een 'drang tot zelfbehoud' leiden hem daartoe. Dat vat mijn veranderde houding denk ik adequaat samen: ik weet wat er aan schort, maar ben vastgevroren en door mijn streven naar zelfbehoud onmachtig in te grijpen. En ik durf die veranderde houding die ik bij mezelf proef te projecteren op de bredere context van de maatschappij om mij heen: we zijn vastgevroren in cynisme.

Einde verhaal? Nee, zeker niet. Want wat is vastgevroren kan ontdooien. Het begin van de dooi kwam voor mij uit Genemuiden. Een ondernemer liet me daar zien hoe hij, vol passie en enthousiasme, een bedrijf runt vanuit het idee van rentmeesterschap. Hij investeert zijn tijd en energie niet in zijn bedrijfsbelang. Hij investeert het in mensen met een beperking, die hij binnen zijn bedrijf het vertrouwen, de zekerheid en veiligheid geeft die werk een mens kan bieden. Een prachtige, hoopvolle bedrijfsvisie.

Volgens Peter Sloterdijk staat tegenover het streven naar zelfbehoud (cynisme) een houding die eerder voor leven kiest dan voor het koste wat kost overleven. Hoewel de atheïstische Sloterdijk het vast niet zo bedoeld heeft, raakt zijn filosofie hier aan de invulling die het bedrijf in Genemuiden geeft aan rentmeesterschap. Als rentmeester ben je niet aangesteld om te laten renderen, maar om zorgvuldig te beheren. Het gaat dus niet om winst, maar om perspectief. Niet om zelfbehoud, maar om kiezen voor zinvol leven. Dat zijn abstracte termen, maar het bedrijf in Genemuiden laat zien dat je dat heel concreet kunt maken, als ondernemer, als werknemer, als mens. Als we dat gaan doen gaat het heel snel dooien, en zijn we sneller losgevroren dan we nu durven denken.

woensdag 23 mei 2012

Later blijft alles beter

Gepubliceerd in het Nederlands Dagblad op 23 mei 2012

'De afgelopen jaren heeft ons bedrijf heel wat te verstouwen gehad,' zuchtte de man. 'We hebben allerlei reorganisaties uitgevoerd, om klaar te zijn voor wat wij dachten dat de toekomst was. Maar nu de nieuwe organisatiestructuur bijna klaar is komen we tot de ontdekking dat de wereld om ons heen er totaal anders uitziet. We hebben al die tijd gewerkt aan een idee dat achterhaald blijkt te zijn.'

'Niets is blijvend, behalve verandering', zei de Griekse filosoof Heraclitus zo'n 2500 jaar geleden. Een uitspraak die nog altijd actueel is. Waar ik ook kom – bij bedrijven, overheden, non-profit instellingen – overal wordt veranderd. De achterliggende reden klinkt als een refrein door al deze organisaties: we moeten met minder toe, én het moet beter. En dus moet alles anders.

Ondertussen is het niet helemaal duidelijk waar al die reorganisaties nou precies over gaan. Er moet vaak efficienter gewerkt worden en omgangsvormen moeten zakelijker. Maar steeds vaker gaan verandertrajecten een slag dieper. Dan gaat het niet alleen over taken en handelingen, maar ook over hoe mensen in hun werk staan en wat bedrijven, teams en medewerkers drijft. Zo'n cultuuromslag is een ingrijpend traject, dat volgens de traditionele organisatiewetenschappen zijn tijd nodig heeft. In de huidige verandercultuur wordt echter steeds vaker gevraagd hoe snel het kan in plaats van hoe lang zo'n traject nodig heeft. Het gevolg hiervan is snelle verandering op snelle verandering: terwijl de medewerkers opgelucht ademhalen omdat hun baan niet geschrapt is, moeten ze al weer diep moed inademen om te wennen aan een nieuwe cultuuromslag. Kortom: niets is blijvend, behalve verandering. Geen wonder dus dat de woorden van Heraclitus in het moderne Europa het motto zijn geworden voor een cultuur van 'veranderingsmanagement'.

De filosoof uit Efeze deed deze uitspraak echter in de context van zijn theorie. Die wordt vaak geïllustreerd door te stellen dat je nooit twee keer in dezelfde rivier kunt stappen. Want de tweede keer dat je in het water stapt zijn zowel de rivier als jijzelf een klein beetje veranderd. Dat voorbeeld past bij de lome, trage verandering van veroudering of van het wisselen van de seizoenen. De toepassing op snelle bliksemreorganisaties is eigenlijk veel minder logisch.

Werkend Nederland kent inmiddels een groot aantal werknemers die al jaren door allerlei reorganisaties gaan en steeds vechten met onzekerheid over hun baan. Die medewerkers zijn moe en murw geslagen. Ze zijn toe aan rust en continuïteit.

Gelukkig is er ook een beweging te zien die daaraan bijdraagt: duurzaam werken. Steeds meer bedrijven denken erover na hoe ze ervoor kunnen zorgen dat het personeel hun werk goed kan volhouden. Ook dat kan verandering betekenen: de een krijgt er misschien een taak bij, terwijl de ander juist een stapje terug doet. Dat is een vorm van verandering die eigenlijk veel beter bij Heraclitus' uitspraak past: een verandering die tegelijkertijd continuïteit is.



woensdag 22 februari 2012

Een fijn gedachtenleven


Gepubliceerd in het Nederlands Dagblad op 21 februari 2012

Geld speelt geen rol. Althans, niet voor een heer van stand als Ollie B. Bommel. Voor de rest van de wereld is geld niet onbelangrijk. Sla de krant maar open: een nieuwe recessie, nog altijd geen oplossing voor Griekenland, miljarden extra bezuinigingen. Geld speelt een hoofdrol, zeker in een crisis die is ontstaan door oplopende schulden. Eigenlijk is dat niets nieuws: eeuwen geleden verkeerde Nederland al in vrijwel exact dezelfde situatie.

In de 17e eeuw was Nederland een wereldmacht, die de handel in Europa en met overzeese koloniën domineerde. Maar al in de 18e eeuw was het met die sterke positie gedaan. Economisch verval zette in en welvaart sloeg om in armoede. In deze context introduceerde de econoom John Law een soort piramidespel. Overal in Nederland werden handelscompagnieën opgericht. Nog voor zo’n bedrijf echt bestond werden de aandelen al verhandeld. De eerste kopers waren vaak de rijke poorters van de stad. Zij verkochten hun aandelen weer aan ambachtslieden en dienstboden. Die hoopten hun aandelen meteen met winst door te verkopen. Men kocht daarom aandelen met schuldbekentenissen en niet met eigen geld. Toen deze windhandel uiteen klapte, gingen veel mensen bankroet.

De windhandel nam een vlucht in een periode tussen twee economische systemen in. De tijd van internationale handel met koloniën was voorbij. Maar de industriële revolutie, die in de 19e en 20e eeuw voor een opbloeiende economie zou gaan zorgen, liet nog op zich wachten. Wie een inkomen wilde verdienen moest daardoor hard werken. Maar de generatie die in de welvaart van de 17e eeuw was opgegroeid had daar geen zin in. De ambachtlieden zagen meer in snelle winst door windhandel.

Er zijn veel overeenkomsten met de huidige crisis. Ook wij bevinden ons in een tijd tussen twee economische systemen. We hebben nog tot diep in de 20e eeuw genoten van de welvaart die technologische vernieuwing ons bracht, maar die periode is nu voorbij. Hoe het volgende systeem eruit ziet, en wanneer dat zich aandient – daar kunnen we alleen maar naar gissen. Ondertussen moet wie brood wil verdienen daar (weer) hard voor werken. Voor een generatie die is gewend aan welvaart is dat even wennen. Ook nu zijn er mensen die liever kiezen voor risico’s, bonussen, speculaties en snelle cash.

Die honger naar geld is niet alleen te zien bij snelle bankiers, maar ook studenten, gezinnen, spaarders. We zijn gaan lenen, rekenen en we zoeken naar de slimste belastingtrucs.De geldzucht treft zelfs mensen voor wie geld geen rol speelt. In één van de verhalen van Marten Toonder wordt ook Ollie B. Bommel gegrepen door een windhandel die hem flink in de problemen brengt. Uiteindelijk verzucht de heer van stand: ‘Zelfs mijn fijn gedachtenleven heb ik verloren, want ik kan alleen nog maar aan geld denken. En dat is toch wel erg grof.’

Als we eerlijk zijn, speelt geld vaak een grotere rol dan we willen. Laten we het ons leven beïnvloeden, of lukt het ons een fijn gedachtenleven te behouden?

woensdag 25 januari 2012

Mens of resultaat?

Gepubliceerd in het Nederlands Dagblad op 25 januari 2011

Benno is een wat stille jongen van zeven. In de klas voert hij nooit de boventoon, maar bij bloeit op als hij de kans krijgt de meest ingewikkelde sommen te doen. Zijn juf ziet zijn talent, en doet er alles aan om Benno te helpen dat te ontwikkelen. De school noemt dat: ontwikkelingsgericht onderwijs.

Achter de innemendheid van Esmée schuilt een onzekere twintiger. Als ze druk ervaart laat ze in haar werk steken vallen. Ze is daardoor al een paar jaar werkloos. Haar begeleider vanuit de gemeente heeft nu voor haar een nieuwe werkplek gevonden. Er wordt nu vooral gekeken naar wat ze goed kan en naar hoe ze zich kan ontwikkelen. De gemeente noemt dat: werken naar vermogen.

Benno en Esmée lijken nauwelijks op elkaar. Ze verschillen in leeftijd, talenten en beperkingen. Maar in de manier waarop ze begeleid worden is een mooie overeenkomst te ontdekken. De aandacht is verschoven van het behalen van resultaat naar het stimuleren van hun ontwikkeling. De filosofe Martha Nussbaum noemt dit de 'mogelijkhedenbenadering'. Nussbaum beschouwt het krijgen van mogelijkheden, zoals de kans te leren of te werken, als de basisvoorwaarde waarop ontwikkeling kan plaatsvinden.

Dat is een gedachte die past bij de Bijbel. Uit verschillende gelijkenissen kunnen we leren dat het belangrijk is talenten in te zetten en te vermeerderen. Dat we als samenleving de zwakkeren daarbij ondersteunen en de jongeren daarbij begeleiden is prachtig. In een maatschappij waarin het steeds vaker 'ieder voor zich' is, lijkt dit een welkome tegenbeweging.

Helaas houdt mijn verhaal hier niet op. Want het klinkt mooi op papier, die aandacht voor ontwikkeling, maar de vorderingen willen we wel goed kunnen meten. In een tijd waarin de overheid en de belastingbetaler elk dubbeltje moeten omdraaien letten we extra goed op wat een investering precies gaat opleveren. 'Waar voor ons belastinggeld?' is de veelzeggende titel van het onlangs verschenen SCP-rapport, waarin onder andere wordt geconcludeerd dat alle extra investeringen in onderwijs geen aantoonbaar resultaat hebben gehad. De CITO-scores zijn immers nauwelijks verbeterd.

Zo'n conclusie gaat voorbij aan de werkelijkheid, waarin de tijd tussen zaaien en oogsten vaak veel langer duurt dan één kabinetsperiode. Werken aan ontwikkeling is een zoektocht die tijd kost, en geen quick win.
Dat stelt Nederland voor een keuze. Zetten we in op persoonlijke groei van mensen of gaat het om het resultaat op de rijksbegroting? Dat die keuze valt in tijden van crisis maakt deze vraag extra spannend. Zijn we te armlastig geworden om te investeren in ontwikkeling?

Volgens Martha Nussbaum is armoede niet het ontbreken van inkomen, maar het ontnomen zijn van de mogelijkheden om te kunnen ontwikkelen. Kortom: als we Benno en Esmée de kans niet geven zich te ontwikkelen worden zij (en wij) pas echt arm. En die armoede kan met geen enkele belastingverhoging meer ongedaan gemaakt worden. 

woensdag 2 maart 2011

Jacuzzi Democratie

Gepubliceerd in het Nederlands Dagblad op 2 maart 2011

Een paar jaar geleden figureerde er in het programma ‘De Grote Verbouwing’ een typisch Jan Modaal-gezin: stationcar, twee kindertjes, rijtjeshuis in Almere of Zoetermeer. En in de tuin van dat rijtjeshuis verrees een Jacuzzi van een thuiswinkel. Deze winkel bleek er een ambitieuze missie op na te houden, die me tot op de dag van vandaag is bijgebleven: elke Nederlander moet in staat zijn zich een goede Jacuzzi te veroorloven.
Ik verwacht dat de eerste politieke partij die zich aan deze missie verbindt kan rekenen op een groot electoraat. Want wij Nederlanders willen een warm bad. We willen ons tevreden en voldaan terugtrekken in onze eigen comfort zone. En op de rand van onze jacuzzi staat een bruisend glaasje democratie.
De democratie bruist als de bubbels in een glas champagne. Politiek is niet langer een hobby van een kleine elite, maar politieke thema’s zijn vandaag de dag weer the talk of the town. Het regeerakkoord was al stukgelezen voordat de inkt droog was. Discussies over politieke thema’s gonzen in bedrijfskantines, maar ook op het schoolplein, in moskeeën en buurthuizen. Mensen vormen meningen over files, kinderopvang en studiefinanciering. Over het burkaverbod en het kraakverbod. Niet stemmen is not done. Kortom: de democratie bruist. De politiek bereikt de kiezer weer, de kloof tussen Tweede Kamer en huiskamer lijkt gedicht.
Een positieve ontwikkeling, zou je zeggen. Toch bekruipt ons maar al te vaak een ongemakkelijk gevoel. Waar komt die onrust vandaan?
Wie goed luistert naar de discussies die worden gevoerd, aan lunchtafels en op opiniepagina’s valt het op dat de discussies in grote mate zijn gericht op onszelf. Onze mening over een politieke ontwikkeling wordt in hoge mate gevormd door de impact die deze ontwikkeling heeft op óns individueel welzijn. Albert Jan Kruiter verwoordde dit zeer krachtig in een interview met de Groene Amsterdammer: 'Het eigenbelang is steeds belangrijker geworden voor het stemgedrag. Daarom zweeft de kiezer. Maar hij is consistent in het willen nastreven van eigenbelang. Het punt is dat verschillende persoonlijke belangen nog maar zelden voorkomen in één partijprogramma.’ Het is dus niet langer het onderliggende gedachtengoed of de maatschappijvisie die door de kiezer wordt gedragen. Nee, voor onze keuze in het stemhokje geven slechts enkele items uit een verkiezingsprogramma de doorslag: die programmapunten waar wijzelf van denken te profiteren. De achtergrond bij onze stemkeuze is dan het individu – en niet de maatschappij. Let wel: dit is geen ontwikkeling die zich afspeelt onder ‘die aanhangers van populistische stromingen’. Niets is minder waar. Het geldt – in meer of mindere mate – voor ons allemaal. Cru gesteld willen we allemaal liever een jacuzzi in onze eigen tuin dan dat we geld sparen voor een sportfondsenbad.
Is dat erg? Immers, als iedereen aan zijn eigen belang denkt, wordt er niemand vergeten. Maar toch, als iedereen zijn individueel belang laat prevaleren boven het ‘algemeen’ belang dan verziekt dit – uiteindelijk – de verhouding tussen burger en overheid.
We verwachten van die overheid dat zij ieders individuele belangen weet te dienen. Dát is immers de ‘stem van de kiezer’ en die ‘moet worden gehoord’. En hoewel de overheid zich zeer wel bewust is van de onmogelijkheid van deze opdracht, poogt zij dit onvermogen te verhullen. Dat vertaalt zich er ondermeer in dat de burger zelden of nooit expliciet te zien krijgt wat de kostprijs is van solidariteit, noch hoe een bezuiniging doorwerkt in de eigen portemonnee. Bezuinigingen (‘ombuigingen’ volgens Rutte en Verhagen) worden gepresenteerd als sociale verbeteringen. Dit laat de burger met een wrange nasmaak achter. Want die heeft wel degelijk het gevoel dat er geknot is, dat een stukje van de eigen ruimte is afgeknabbeld. Maar wat er precies is veranderd, weet men niet te duiden.
Daarnaast lijkt – en zegt – de overheid als bedrijf te functioneren. De burger wordt effectiviteit en snelle verandering voorgehouden, maar de overheid weet zelden op te leveren wat wordt beloofd. Tegelijkertijd is de houding van de burgers in toenemende mate die van klant van de overheid (en de klant is koning). Hiermee wordt een opmerkelijke paradox zichtbaar: de kiezer heeft het gevoel niet gehoord te worden, terwijl de overheid in feite uit alle macht probeert haar beleid op de kiezer af te stemmen. Het is echter sterk de vraag of de kiezer hiermee gediend is. De kiezer die zichzelf sec als klant van de overheid ziet, zal altijd moeite hebben zijn eigen belangen te herkennen in de smeltkroes van het overheidsbeleid. En, zoals Tjeenk Willink het verwoordt in de Algemene Beschouwingen van de Raad van State: ‘de betrokken en participerende burger die meer wil zijn dan klant, herkent zich niet meer in de staat.’ Beide groepen kiezers blijven zo achter met een diep gevoel van machteloosheid.
Het doen herleven van het ‘algemeen belang’ lijkt de meest voor de hand liggende oplossing om deze patstelling te doorbreken. Van links en rechts wordt deze oplossing dan ook aangedragen. Bij de gevestigde politieke partijen is de droom van een algemeen belang (allemaal solidair zijn, samen streven naar een gezonde staatsbalans) dat door een grote groep wordt gedragen tastbaar aanwezig. Maar is het verwezenlijken van deze droom überhaupt nog wel mogelijk? Laten wij ons nog samenbinden in het streven naar één gezamenlijk doel? Ik denk het niet.
Het is niet langer de utopie die ons bindt’ zegt Willem Schinkel in Zomergasten. Schinkel stelt dat mensen zich nog slechts laten verenigen door het verschrikkelijke, de distopie. Ik durf nog een stap verder te gaan. We laten ons slechts binden door de distopie wanneer deze verschrikkelijke toekomst onszelf of onze eigen kinderen dreigt te raken. Alleen dan nog voelen we het water in onze jacuzzi koud worden. Alleen dan nog komen we in actie.
Terug naar de democratie. De staat van de democratie is niet los te zien van de staat van de overheid. Immers, de kiezer geeft de overheid niet langer een mandaat om algemene belangen te behartigen, maar verwacht dat de overheid haar individuele belangen behartigt. Het zal niet makkelijk zijn deze impasse te doorbreken. Politieke partijen, de net aangetreden regering en de staat als geheel zullen manieren moeten vinden om te appeleren aan een individuele distopie, zonder de eigen koers ondergeschikt te maken aan 17 miljoen tegengestelde individuele belangen. Maar het is niet onmogelijk. De eerste stap is het erkennen van het gevoel van machteloosheid dat bij alle burgers, bij alle kiezers leeft. Het zal niet lukken om alle stemgerechtigden uit te leggen waar dat gevoel vandaan komt. Maar het is wel  mogelijk dat gevoel serieus te nemen. Dat kan door niet langer te wijzen op een opgedrongen ‘publiek belang’, maar door helder duidelijk te maken dat het samen oplossen van gezamenlijke problemen ook voordeel heeft voor ons allen individueel.
We hebben een overheid nodig die ons laat zien wat ze voor ons als burgers betekent. En politieke partijen die de angst en machteloosheid van de kiezer niet bagatelliseren en die helder weten te verwoorden dat zij een methode voorstellen – liberaal, groen of sociaal – om samen gezamenlijke problemen mee op te lossen. En het goede nieuws: hiervoor is een brede voedingsbodem. De democratie bruist al. Geef haar een duwtje in de rug, en zij komt in beweging. En wie weet, misschien gaan we nog inzien dat een sportfondsenbad met zijn allen veel leuker is dan een jacuzzi alleen.