Posts tonen met het label columns. Alle posts tonen
Posts tonen met het label columns. Alle posts tonen

vrijdag 29 november 2013

(Don't) avoid news

Na de herfstvakantie startte de klas van mijn dochter (groep 4) met een nieuw thema: ‘de wind’. Terwijl zij leerden hoe de wind dingen in beweging zet woedde elders misschien wel de ergste storm ooit. De kinderen verdiepten zich daarom vorige week in de hoeveelheid water die de slachtoffers dagelijks ter beschikking hebben (bijna niets), en vergeleken dat met ons watergebruik (ruim 126 liter/dag). Dat blies mijn dochter van haar sokkel: ze was diep geraakt door zoveel ongelijkheid.

Soms gebeuren er huiveringwekkende dingen. Op grote schaal, zoals de tyfoon Haijan. Maar ook op kleinere schaal, in onze persoonlijke levens. Ziektes, werkloosheid, onderlinge wreedheid. We zijn soms met stomheid geslagen. Als je het als buitenstaander ziet gebeuren, op een ander continent of bij een kennis, weet je niet altijd wat te doen. Je wilt graag meeleven, maar hoe?

Ik herlas laatst het essay ‘Why you should stay away from news’ van de Zwitserse denker Rolf Dobelli. Hij vindt dat we (te) veel tijd verspillen met het lezen van allerlei nieuwsfeitjes. Volgens Dobelli is het beter die tijd te besteden aan een studie naar meer inzicht in de complexiteit van de wereldproblemen. Als een van de redenen voor dit standpunt noemt hij: het volgen van nieuws heeft te hoge kosten. ‘Op wereldschaal is het verlies aan potentiële productiviteit (door nieuws) enorm’, zegt Dobelli. ‘Neem de terreuraanslagen in Mumbai uit 2008. Stel je dan voor dat een miljard mensen gemiddeld een uur van hun aandacht wijdden aan zo’n tragedie: door het nieuws te volgen, naar een deskundige op televisie te kijken, erover na te denken. Dit is geen wilde gok: alleen al in India wonen meer dan een miljard mensen, waarvan een groot deel het drama live op tv volgde. Dat is samen een miljard uur, oftewel meer dan honderdduizend jaar. De gemiddelde levensverwachting wereldwijd is zo’n 66 jaar. Bijna tweeduizend levens werden dus opgeslokt door nieuwsconsumptie. Dat is veel meer dan het aantal mensen dat in Mumbai werd vermoord’.

In tegenstelling tot Dobelli kan ik me daar als christen niet over opwinden. In tegendeel. Ik vind het een heel troostrijke gedachte. Stel je voor: miljarden mensen besteden nu al wekenlang tijd en aandacht aan de ramp door Haijan. Het zijn ontstellend veel slachtoffers, maar ze zijn in de gedachten van duizenden geweest. We hebben samen misschien wel tienduizenden mensenlevens tijd besteed aan dit nieuws en ons meeleven.

Dat is prachtig. Als wereldburgers gedenken wij zo elkaar en helpen wij elkaars leed te dragen. Dobelli somt de manieren op waarmee mensen hun aandacht aan het nieuws wijden: ‘door het nieuws te volgen, of erover na te denken.’ Ik voeg daar graag aan toe: door te bidden. Met bijna 2 miljard gelovigen is het Christendom ook in dit perspectief een machtige godsdienst. Daarom: volg het nieuws. Lees wat je lezen kan over Syrië, de Filippijnen, Egypte. Gedenk oorlogen en natuurrampen. En bid voor de slachtoffers en nabestaanden. Want als we blijven meebeleven, blijven we steunen en troosten.

donderdag 24 oktober 2013

Perspectiefspagaat

Dit artikel is op 23 oktober 2013 verschenen in het Nederlands Dagblad.

Heeft u (binnenkort) herfstvakantie? Bezoek dan eens de expositie Escher in het Paleis, in Den Haag. Zijn optische illusies zijn bekend, maar blijven intrigerend. U denkt dat iets rond is, maar het blijkt vlak. Bij Escher lijken dingen soms veraf, maar zijn tegelijkertijd dichtbij: een perspectiefspagaat.

Dat is vooral een leerzame oefening voor ambtenaren, want zij zullen de komende jaren ook moeten toveren met perspectief. De overheid wil immers naar 'veraf'. Bijna elke beleidsnotitie gaat over 'burgerkracht', 'eigen draagvermogen' en 'eigen verantwoordelijkheid'. Het beeld van de overheid als hulpverlener verdwijnt rap naar de achtergrond. De focus verschuift van curatief beleid – schuldhulpverlening ná het ontstaan van schulden, uitkeringen verstrekken ná werkloosheid – naar preventief beleid. Om dat te realiseren komt de overheid – paradoxaal genoeg – steeds ‘dichterbij’. Hoe is dat zo gekomen?

De terugtrekkende beweging van de overheid gaat vaak gepaard met 'kortingen' op budgetten. Om met deze schaarsere middelen uit te komen maken gemeenten de (verstandige) keuze in te zetten op preventie. Zo geven gemeenten budgetcursussen aan financieel kwetsbare huishoudens, om de noodzaak van dure schuldhulpverlening te voorkomen. En tieners worden bij hun studiekeuze uitgebreid geïnformeerd over arbeidsmarktkansen, om te voorkomen dat scholen opleiden tot werkloosheid.

Maar kennis is niet alles. We gaan niet ineens verstandige keuzes maken als we goed geïnformeerd zijn. In onze keuzeprocessen speelt meer mee. Zo zijn we sterk georiënteerd op het hier en nu: we bezwijken makkelijker voor de verleiding iedere dag iets kleins te kopen (zoals een ijsje) dan dat we sparen voor een dagje weg (bijvoorbeeld naar een expositie). En we zijn in onze keuzes overgevoelig voor levendige en concrete informatie. De grapjes die tijdens de presentatie van een opleiding worden gemaakt kunnen daardoor voor aankomend studenten zwaarder wegen dan de kennis over arbeidsmarktkansen.

Dat onbewuste gedragsprocessen een grote rol spelen is ook bij de overheid geland. Preventieve maatregelen houden daar steeds vaker rekening mee, bijvoorbeeld door de budgetcursussen te geven voor meer homogene groepen, zodat er een groepsdruk ontstaat. En wat vinden we er eigenlijk van wanneer de overheid veranderingen in onze persoonlijke situatie (verhuizing, ziekte, nieuw werk) gaat aangrijpen om ons nieuwe gewoonten voor te stellen? Dat kan wel erg 'dichtbij' komen. Waren burgers niet juist zelf verantwoordelijk? Zie hier de perspectiefspagaat.

De vraag is dus: hoe dichtbij mag de overheid komen zodat de overheid zich kan terugtrekken? Het vangnet moet smaller, maar hoe ver mag de overheid gaan om die besparing te realiseren? Het antwoord daarop heb ik nog niet gevonden. Misschien vindt u het antwoord als u Escher gaat bekijken in het Paleis. Want zelfs al moet je bij Escher soms een trap afdalen om omhoog te klimmen – in zijn tekeningen staat alles wel in een logisch verband.



woensdag 25 september 2013

Supermarktfatsoen

Dit artikel is op 25 september 2013 verschenen in het Nederlands Dagblad.
Verantwoordelijkheidsgevoel begint meestal in de supermarkt. Op de broodafdeling, in mijn geval. Want daar had ik mijn eerste baantje. Daar merkte ik iets eenvoudigs: als ik niet op tijd aanwezig was om het brood te snijden bleven de schappen leeg. Zo leerde ik het belang van op tijd zijn, klantvriendelijkheid en het vervullen van vaste taken. Gewoon goed gedrag in je dagelijkse werk. Ook wel genoemd: fatsoen.

We hebben een zomer achter de rug vol onfatsoenlijkheid. Bestuurders van stichtingen en onderwijsinstellingen bleken tonnen te incasseren. En in de zorg volgde het ene faillissement door wanbestuur (Maevita) op het volgende bijna-faillissement (Philadelphia). Wat is de  oorzaak?

In managementjargon zijn termen als 'fatsoen' en 'moraal' smerige woorden geworden. Ze worden gezien als suffige deugden van vroeger, net als matigheid, punctualiteit en geloof. Waarden die niet passen bij de hang naar vernieuwing en innovatie die leidinggevenden tijdens bijscholingsdagen voortdurend krijgen ingepeperd. Sterker nog, Yoeri Albrecht geeft morgenavond een lezing in de Balie met als titel “controle en fatsoen zijn de vijand van vooruitgang.” Want “nieuwe ideeën kunnen alleen ontstaan waar vrijheid van gedachten en meningsuiting heerst. En zonder nieuwe ideeën is de samenleving gedoemd te verstenen en te verarmen.”

Albrecht vat hiermee een geloof in innovatie en vooruitgang samen dat veel bedrijven, instellingen en overheden in een nare klem houdt. We moeten allemaal voortdurend vrij denken, verbeteren en innoveren. Gewoon je werk doen is maar beperkend en laat de samenleving verarmen. Zorgvuldig je werk doen is zelfs fataal voor onze toekomst.

Dat dergelijke opvattingen na vijf jaar crisis de wereld nog niet uit zijn is schrijnend. Volgens innovatiespecialist Wichert van Engelen moeten organisaties juist 99% van hun energie inzetten op het gewone proces. Dan voeren ze hun kerntaken gewoon goed uit. Daarnaast komt innovatie, om klaar te zijn voor veranderingen. Wie die balans omdraait verliest de werkelijkheid uit het oog. Dat is precies wat bij veel wanbestuurders is gebeurd. De oorzaak van bestuurlijk falen en de extreme uitspattingen bij woningcorporaties, scholen en zorginstellingen? Er is te vaak en te veel ‘out of the box’ gedacht.  

Om bestuurders weer te leren hoe ze fatsoenlijk leiding moeten geven, trekt de overheid allerlei commissies uit de kast. Minister Schippers kondigde vorige week aan kwaliteitseisen te gaan opstellen waar bestuurders in de zorg aan moeten voldoen. En voor 1 oktober presenteert de commissie Halsema haar gedragscode voor behoorlijk bestuur in de semipublieke sector.

Het zegt wat dat de bestuurdersgeneratie van nu dergelijke regeltjes nodig heeft. Wie weet zijn de eisen van Schippers en de code van Halsema een afdoende remedie. Maar elke bestuurder die zo'n code nodig heeft om fatsoen te leren, kan volgens mij beter op stage gestuurd worden naar de supermarkt. Voor de meeste bestuurders is dát pas echt vernieuwing.
 
 

donderdag 29 augustus 2013

Soort bij soort

Dit artikel is op 28 augustus 2013 verschenen in het Nederlands Dagblad.

Dit voorjaar liep mijn dochter voor het eerst de jeugdavondvierdaagse. Ik stond langs de kant, er trokken tientallen scholen in defilé voorbij. Of het nu lag aan de liedjes en leuzen die werden gezongen, of aan de kleding van de kinderen, of aan het aantal ouders dat tijdens het meelopen een sigaretje opstak – ik begreep ineens het spreekwoord 'soort zoekt soort'. Ik zag arbeidersscholen, zwarte scholen, yuppenscholen en janmodaalscholen – maar nergens een lekker goed geintegreerde mix.
 
Soort mag weer bij soort. De vorige minister van onderwijs, Marja van Bijsterveld, maakte daar al geen geheim van. 'Zwarte scholen zijn een feit,' zei ze al in 2011. 'Het gaat om de kwaliteit van het onderwijs. Of een school dan wit of zwart is, is minder belangrijk.' 

Daar heeft ze wel gelijk in. Segregatie met mate is geen ramp – en het is bovendien niet te voorkomen. Want ouders kiezen voor een school waarbij ze zichzelf herkennen in het publiek, zo bleek uit onderzoek van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling. Zien hoogopgeleide ouders teveel mensen in een joggingbroek op het schoolplein staan, dan fietsen ze een schooltje verder. Arbeidersgezinnen en allochtone families bleken precies hetzelfde te doen. Kortom: enige segregatie kiezen we zelf. Toch is die segregatie wel gevaarlijk, waarschuwde de socioloog Michael Young al in 1958. Hij was bang voor een samenleving waarin kinderen van hoger en lager opgeleiden volstrekt gescheiden opgroeien. Volgens Young kan dat alleen maar leiden tot opstand en onrust.

Segregatie stimuleren is dus allerminst verstandig. En toch is dat precies wat Sander Dekker, de huidige staatssecretaris, doet. Hij gebruikt daarvoor twee voorstellen. Allereerst moedigt hij de komst aan van ICT-scholen en 'excellente' scholen. Daarnaast wil hij tweetalig onderwijs op basisscholen bevorderen. En dan doelt hij niet op Marokkaans-Nederlands of Farsi-Nederlands. Nee: Dekker pleit voor een grootschalige invoering van het Engels, vanaf de onderbouw.

Ik denk dat de staatssecretaris niet zo vaak bij een arbeidersschool is langsgeweest, laat staan bij een zwarte school. Want na één bezoek had hij de keerzijde van zijn plan ingezien. De kleuters die hier in groep 1 instromen beheersen het Nederlands maar matig. Deze scholen zullen dus hun handen vol hebben aan het ondersteunen van de leerlingen die een achterstand in het Nederlands moeten wegwerken. De kwaliteit van het onderwijs, waar van Bijsterveld in 2011 nog zo op hamerde, wordt nu door Dekkers plannen juist ongelijk verdeeld. De extra's – zoals ICT, 'excellentie' en Engels – worden voorbehouden aan de elite-scholen.

Welke scholen dat zijn, dat was afgelopen lente tijdens deze avondvierdaagse al scherp zichtbaar. Maar als Dekker zijn zin krijgt is dat over tien jaar nog versterkt. Dan kent de helft van de leerlingen het spreekwoord 'soort zoekt soort' niet eens, terwijl de andere helft liedjes zingt over 'Birds of a feather flock together'.
 
 
 

vrijdag 26 juli 2013

Even bellen

Dit artikel is eerder gepubliceerd in het Nederlands Dagblad.

‘Meneer Jansen is 82 jaar en heeft nauwelijks nog familie. Alleen zijn vriend Piet komt dagelijks langs. Meneer Jansen heeft de hulp van Piet nodig: die doet de boodschappen en beheert het huishoudgeld. Er is alleen nooit genoeg eten en kleding in huis. En er verdwijnen regelmatig waardevolle spullen.’
 
Dit is slechts één voorbeeld van oudenmishandeling. Het maakt meteen duidelijk hoe schrijnend dit onderwerp is. Pijnlijk, en onacceptabel. Daar was staatssecretaris van Rijn (VWS) het vorige maand, bij de lancering van de landelijke campagne tegen ouderenmishandeling, helemaal mee eens. ‘We moeten de taboesfeer doorbreken. (…) We moeten er samen voor zorgen dat onze ouderen zich veilig voelen en veilig zijn,’ zei de staatssecretaris. Daar kan niemand het mee oneens zijn. Volkomen terecht, dus, dat de staatssecretaris ook in deze tijden van crisis budget uittrekt om deze zaak eens goed onder de aandacht te brengen. Hoewel? Wat gebeurt er nu eigenlijk?
 
Terwijl de staatssecretaris met de campagne tegen ouderenmishandeling opende, werd er op zijn ministerie hard gewerkt aan ‘de decentralisaties’ in de zorg. Dat betekent nogal wat voor ouderen. Ten eerste worden gemeenten verantwoordelijk voor de begeleiding en ondersteuning aan ouderen die nog thuis wonen. Voor alle (thuis)zorg die deze ouderen nodig hebben, moeten ze dus gaan aankloppen bij de gemeente. Tegelijkertijd is besloten tot ‘extramuralisering’ van de (ouderen)zorg. Die prachtige term betekent dat ouderen minder snel in een verzorgingshuis mogen gaan wonen, maar dat meer ouderen met een zorgbehoefte langer thuis geholpen moeten worden. De gemeente mag dat regelen, en omdat de gemeente zo dichtbij de burger staat kunnen ze dat – volgens het kabinet – voor miljarden minder.
 
Gelukkig heeft het rijk ook nog tips voor gemeenten, over hoe ze voor al die ouderen al die zorg moeten regelen. Uit het tipboek: “Als een burger aanspraak wil maken op een collectieve voorziening, kan de ambtenaar vragen: wat kan u zelf doen, en hoe kan u uw sociale netwerk aanspreken?” Kortom: er komen meer ouderen, met meer zorgvraag, die langer thuis blijven wonen – en dat gaan we oplossen met mantelzorgers en thuiszorgmedewerkers, die meer moeten doen met minder.

Nu blijkt de overbelaste (mantel)zorger één van de voornaamste oorzaken te zijn van ouderenmishandeling. Degene die steelt uit de portemonnee van oma is vaak de dochter die haar hoofd financieel nauwelijks boven water kan houden, en die door alle zorgtaken geen extra uren kan gaan werken. En de man die al dagen alleen ligt blijkt een zoon te hebben die het niet meer kan volhouden om zijn vader te verzorgen. Gelukkig is er dan nu goed nieuws: als iemand de radio even aanzet, kunnen deze oma’s en opa’s wel luisteren naar de campagne van de staatssecretaris. Dan weet opa in elk geval welk nummer hij kan bellen om te melden dat zijn zoon de zorg niet meer aan kan.


 

woensdag 26 juni 2013

De Burn-out Generatie

Dit artikel is verschenen in het Nederlands Dagblad op 26 juni 2013

“Als ik op mijn vijftigste terugkijk wil ik successen op mijn naam hebben staan die bepalend zijn voor de ontwikkelingen in mijn branche,” zo vertelde een dertiger over haar ambities. Ze kon haar toekomst precies schetsen en ze wist ook al wanneer die moest beginnen: “nu ik al dertig ben, en al zeven jaar werk kan ik zeggen: laat mij dat maar doen, dat kan ik nu.”

Ze vertelde dit in een duo-interview voor een vakblad, waarin deze jonge adviseur (30) samen met haar directeur (48) aan het woord was. De directeur moest, denk ik, een beetje lachen om de ambities van zijn medewerker. Want hij reageerde als volgt: “toen ik dertig was, had ik niet zulke expliciete ambities. Na een reorganisatie werd ik ineens leidinggevende. Ik kreeg dus het vertrouwen. En ach, men wordt al doende wijzer.”

Ik moest ook glimlachen om de uitspraak van de adviseur. Want als ik vorig jaar in zo’n soort interview had gezeten, had ik hetzelfde gezegd. Maar inmiddels is het tien maanden geleden dat ik, onderweg naar kantoor, de auto langs de kant van de weg moest zetten omdat ik niet meer verder kon rijden. Daarna duurde het nog een tijdje voor ik het toe durfde te geven: ik ben nog lang geen dertig, maar wel opgebrand. En ik ben niet de enige in mijn generatie. Afgelopen voorjaar maakte TNO bekend dat ruim 1 op de 7 werknemers tussen de 25 en 35 jaar last heeft van burn-outklachten. Dat is een enorme toename. Wij zijn niet de generatie X, of de generatie Einstein, maar de Burn-out Generatie geworden. Hoe komt dat?

Ik denk dat een verklaring ligt in het verschil in houding tussen de adviseur en de directeur. De jongste bedienden van nu zijn opgegroeid in een tijdperk van economische groei en snelle technologische en maatschappelijke veranderingen. Alles was mogelijk, als je maar je best deed. Dat zijn mijn generatiegenoten en ik gaan geloven. En we werken hard, dus we willen snel vooruit. Na zeven jaar werken nemen we het roer wel even over.

Tot een paar jaar geleden was the sky the limit voor de slimme, ambitieuze young professionals van mijn generatie. We hebben een droomstart op de arbeidsmarkt gehad. Maar de laatste jaren stagneert de snelle carrière en wordt de toekomst minder vanzelfsprekend. We moeten onze wensen en eisen bijstellen. Maar het lukt ons niet terug te schakelen naar een lagere versnelling, omdat we die nooit eerder hebben gebruikt. Ik denk dat daardoor zoveel twintigers en dertigers opgebrand raken.

Henri Nouwen, een ervaringsdeskundige, schreef daar iets over wat voor mij erg leerzaam was: ‘jaar achter jaar geven we gehoor aan geluiden die vinden dat we actief en zichtbaar moeten zijn. We denken oprecht dat we geroepen zijn om in het openbaar te treden, groots en meeslepend te leven. Maar Gods stem zegt: vertrouw erop dat je leven zinvol is, ook als dat niet zichtbaar is voor de buitenwereld.’ Dat is een radicaal andere versnelling. Niet eisen en wensen, maar verwonderd zijn als je vertrouwen krijgt. Net als die directeur, toen hij dertig was.



woensdag 29 mei 2013

Dollars op de kaft


Eerder gepubliceerd in het Nederlands Dagblad op 29 mei 2013

Tijdens het opruimen van de boekenkast vond ik een boekje met de intrigerende titel ‘rijk door duurzaam ondernemen’. Ik had het gekregen na een congres in 2006, toen rijk worden ook voor Jan Modaal nog onder handbereik leek. En duurzaam, dat is altijd goed. Op de voorkant van het boekje stond een groene plant.

Sinds 2006 is gebleken dat duurzaam behoorlijk moeilijk is. Veel goede voorbeelden uit het boekje zijn inmiddels ingekrompen, noodlijdend of ter ziele. Dat komt volgens mij omdat duurzaam vaak té goed is om te kunnen bestaan. Zoals bij de jeans van Kuyichi. Die zijn gemaakt van biologisch katoen en helemaal verantwoord geproduceerd. Maar de kwaliteit is eigenlijk veel te goed: ik heb twee paar Kuyichi jeans die allebei al drie jaar meegaan, en bovendien nog steeds hip genoeg zijn. Dat is natuurlijk een knudde verdienmodel. De tactiek van textielsupers is dan veel slimmer: alles wat je daar koopt is na drie maanden stuk.

Ook in 2006 werd de noodklok al luid geslagen: we verbruiken te veel grondstoffen, vervuilen veel te veel en hergebruiken te weinig. De bedrijven en initiatiefnemers van toen wilden dat allemaal gaan veranderen. Maar in plaats daarvan zakte de markt in en bleef duurzaamheid een synoniem geworden van termen als ideologisch, solidair en betrokken. Dat is behoorlijk funest. Want hoe kun je een keten grondig vernieuwen als je binnen tien jaar failliet bent?

'Maak van duurzaam ondernemen een hot issue,' was een van de tips die in 2006 aan ondernemers werd meegegeven. 'Organisaties die niet meedoen, moeten voelen dat ze de boot missen.' Dat advies legt onbedoeld de vinger op de zere plek. In de niche-markt van idealistische ondernemers was en is duurzaamheid zeker hot. Maar de grotere concurrenten voelen de pijn niet. Bedrijven als Primark slagen er in een imago van hip en cool hoog te houden – zelfs als schandaal op schandaal de kranten haalt. En, niet minder schokkend, de klanten halen hun schouders erover op en blijven goedkope en trendy inkopen doen. En dit speelt niet alleen voor de kledingmarkt.

De afgelopen jaren is steeds geprobeerd die houding van het winkelend publiek en de grote ketens te veranderen. Helaas lukt dat slechts mondjesmaat. Ik denk het tijd wordt dat de duurzame ondernemers de omslag bij zichzelf gaan zoeken. Misschien moeten die organisaties wat minder ideologisch worden, en juist wat pragmatischer en zakelijker. Want we kunnen het ons niet veroorloven al die gouden initiatieven te laten doodbloeden. Daarbij kunnen de idealistische ondernemers vast wat tips gebruiken over hoe hun bedrijf marktleider kan worden, en hoe hun CEO rijk kan worden van bedrijfsaandelen. Dus: updaten en opnieuw uitgeven, dat boekje uit 2006. Maar weg met de groene plantjes, er moeten dollars op de kaft.
 

 

donderdag 25 april 2013

De ouderen, de jongeren en de rekening

Eerder gepubliceerd in het Nederlands dagblad van 29 april

Het was op een maandagochtend, rond 11 uur, dat ik een cappuccino bestelde in een restaurant vlakbij mijn woonplaats. Ondanks dag en tijd zat het restaurant afgeladen vol – met ouderen. Aan het tafeltje naast mij praatten twee chique geklede dames over de afgelopen winter, die de één in Spanje en de ander in het verpleeghuis bij haar vader had doorgebracht. Ik werd me ineens pijnlijk bewust hoe ver mijn belevingswereld afstaat van deze ouderen. De generatiekloof was bijna tastbaar.

De afstand tussen verschillende generaties wordt handig uitgespeeld door politieke partijen. Zo mopperde de jongerenvereniging van de VVD over het sociaal akkoord: 'dit schuift alweer de rekening door naar de volgende generatie.' Maar de 50Plus partij bijt hard terug, op haar site: 'Jongeren die in veel gevallen nog nooit een cent pensioenpremie hebben betaald, hebben een opmerkelijk offensief tegen ouderen ontketend.' Ik zou haast gaan geloven in een generatieconflict.

Zo’n conflict is er volgens mij helemaal niet. Er is eerder sprake van een gebrek aan kennis tussen generaties. Als twintiger ken ik wel een handjevol zestigers, die ook allemaal de crisis wel voor hun kiezen hebben gehad. Maar ik identificeer me meer met de tientallen werkloze twintigers (met twee academische titels) in mijn omgeving, en met de dertigers in mijn buurt die het zich financieel niet kunnen veroorloven om een gezin te beginnen. Dat gebrek aan inzicht in andere generaties is niet zonder risico’s. Niet voor niets is een economische basisregel dat onvolledige informatie leidt tot marktfalen. Kortom: het is geen generatieconflict, maar een informatiecrisis.

Dat probleem wordt denk ik niet opgelost door nog meer berekeningen van het CBS of het SCP. Er zijn al meer dan genoeg cijfers en analyses over de crisis gepubliceerd. En een wollig sociaal akkoord met een oproep vooral veel auto’s te gaan kopen – dat helpt ook niet erg. Ik zie de  oplossing in duidelijke communicatie en daadkrachtige maatregelen. Bijvoorbeeld zoals in Ierland. Eén op de acht Ierse huishoudens loopt meer dan drie maanden achter met de hypotheekbetaling. De regering ziet dit als het grootste struikelblok naar economisch herstel, en heeft vorige week een strak regime voor deze gezinnen ingesteld. Zij moeten alle inkomen aanwenden voor aflossing, op een bedrag van 6,80 per dag na voor voeding – en wat tientjes per maand voor andere noodzakelijke aankopen. Dat treft Ieren van alle rangen en standen en alle generaties. Vervelend, maar wel duidelijk. En als de pijn is geleden is er echt iets opgelost.

Tussen nu en Prinsjesdag zal het kabinet Rutte-II met voorstellen komen voor diverse hervormingen in Nederland. Ik hoop dat zo’n Iers collectief keurslijf hier niet nodig is. Maar wat er ook besloten wordt, het helpt als het kabinet duidelijk maakt dat de pijn gedeeld wordt. Er is geen generatieconflict, we delen de rekening. De prijs van mijn kopje koffie was wel hoog: €3,60. Een Ier zou dát er niet voor willen betalen.

dinsdag 23 april 2013

Viral

Verschenen in het Nederlands Dagblad van 24 april 2013

Ik wist niet wat ik zag, toen ik afgelopen vrijdagavond op facebook keek. Minstens vijftien vrienden hadden een ‘alternatief koningslied’ gedeeld. Ook de petitie ‘sorry voor het koningslied’ van Sylvia Witteman werd druk rondgestuurd. En niet alleen mijn vrienden wonden zich op, in anderhalve dag tijd bemoeiden zeker 40.000 mensen zich met die petitie. En zo’n 500.000 mensen vonden het nodig iets over het lied van John Ewbank te posten of te twitteren. Je kunt rustig zeggen dat de ongein rond het koningslied daarmee viral ging.

Een viral, een storm aan berichten op social media, is zo’n beetje de ultieme droom van elke reclamemaker. Zo hoopte het Rijksmuseum een week eerder nog op een hoax rond het reclamefilmpje dat geschoten was voor de heropening. Dat filmpje werd in Nederland nogal lauw ontvangen. Toch was het niet voor niets: het haalde de buitenlandse kranten.

In het buitenland heeft een viral vaak een heel ander karakter. Zo kenden grote delen van Afrika en de VS een viral rond de video ‘Stop Kony’, een film over het schokkende misbruik van Ugandezen door de rebellenleider Joseph Kony. De film had effect: mondiaal werd Kony een actief gezochte misdadiger. Op mijn facebook heb ik die video niet voorbij zien komen.

Ook de Zuid-Koreaanse luchtmacht creëerde afgelopen februari een viral, met de film Les Militaribles. De parodie op de beroemde musical Les Miserables wilde laten zien welke offers jonge militairen moeten brengen tijdens hun verplichte twee dienstjaren. De video bevond zich op de grens tussen ludiek en ongemakkelijk: het is niet helemaal grappig dat alle Zuid-Koreaanse mannen jarenlang moeten bikkelen om de verdedigingslinie tegen Noord Korea in stand te houden. Maar ondanks de humoristische ondertoon haalde ook deze video de Nederlandse facebookpagina’s niet.

Ik kan nog tientallen andere voorbeelden noemen – uit Egypte, de VS of Rusland. Overal ter wereld worden maatschappelijke discussies de digitale wereld ingezogen, en worden situaties van onrecht en onderdrukking via social media aan de kaak gesteld. Maar in Nederland blijft het stil. Het kan aan mijn facebook(vrienden) liggen, maar ik zie zelden een maatschappelijk betrokken viral. Hebben we een social media actie gehad rondom Mauro? Niet dat ik weet. Is er een online storm ontstaan over de asielzoekers in de Vluchtkerk? Ik heb het niet gezien.

Maar een matig gecomponeerd koningslied krijgt de Nederlandse facebookgebruikers meteen op zijn achterste benen. Het kan zijn dat we het gewoon belangrijker vinden om babyfoto’s en nieuwe kapsels uit te wisselen. Of misschien vinden we dat meningen iets zijn voor opiniepagina’s, en niet voor statusupdates. Laat staan dat je iemand vraagt die mening te delen. Maar het kan ook dat we de potentiële kracht van social media nog niet doorhadden. Dan zijn we nu wakker geworden: als we allemaal tegelijk online zitten te zeuren heeft dat dus effect. Nu we dat weten, kunnen we het gaan inzetten voor relevantere zaken dan liedjes over de W.

zondag 21 april 2013

Wie is de mol?

Verschenen in Basis, vakblad voor Beleidsonderzoek, april 2013
Voor meer informatie of een abonnement op Basis (gratis), zie http://www.basis-online.nl/

Gisteren overkwam het me weer eens: ik fietste op straat en dacht in de fietser voor me een vriendin te herkennen. Ik voerde mijn tempo op en wilde enthousiast haar naam roepen, toen ze zich omdraaide om af te slaan – het was mijn vriendin helemaal niet.

Ik hoop dat iemand snel een uitvinding doet die voortaan dit soort situaties voorkomt. Ik voel me namelijk erg dom na zo’n vergissing. Die situatie maakt pijnlijk duidelijk dat ik niet altijd goed genoeg op details let. Daar wil ik wat aan doen, en om mezelf te trainen kijk ik fanatiek naar Wie is de Mol. Dat programma gaat zo ongeveer over tunnelvisies, en ook ik trap steeds in de val. Ik weet steeds héél zeker wie de Mol is en vind daar dan héél veel bevestigend bewijs voor, maar toch krijgt mijn Mol elke week weer een rood scherm.

Het troost me een beetje dat ik niet de enige ben met dit manco. Iets vergelijkbaars gebeurde tijdens een presentatie die ik een poosje geleden gaf tijdens een seminar van een brancheorganisatie. De daar aanwezige werkgevers dachten samen na over hun mogelijkheden om banen te creëren voor mensen met een arbeidsbeperking. Na een verhitte discussie zei een van de werkgevers: “voor iedereen die kan en wil werken maak ik een plek in mijn organisatie. En ik heb nog nooit een werknemer gezien die wel wilde, maar niet kon.”

Er klonk applaus, de discussie was voorbij. Dat was nog eens een mooie oplossing. Maar ik was niet zo tevreden. Ik dacht: klopt dat wel? De redenering van de werkgever is aanlokkelijk, want als het waar is hebben we meteen een probleem opgelost. Maar wie even doordenkt merkt dat het niet klopt. Het is heel goed mogelijk dat de afdeling P&O van bovengenoemde werkgever ervoor zorgt dat hij geen mensen ontmoet die graag bij hem willen werken, maar dat niet kunnen. De werkgever sprak dus wel de waarheid, maar het is zíjn waarheid, gebaseerd op onvolledige informatie.

De manier van redeneren van deze werkgever komt vaker voor dan je denkt. Bijvoorbeeld: “In onze stad neemt het aantal Antillianen toe. Onder Antillianen komen soa’s meer voor dan onder andere bevolkingsgroepen. Dus moeten we een preventiecampagne gaan beginnen.” Of, een beroemde: “ik heb nog nooit een zwarte zwaan gezien, dus er bestaan alleen maar witte zwanen.”

Er zijn een paar bezwaren tegen deze redeneringen. Allereerst: dat we zelf de uitzonderingen niet kennen, wil niet zeggen dat ze niet bestaan. Maar er kan ook een onbekende invloedsfactor zijn die je theorie sterk beïnvloedt zonder dat je het weet. Een verschijnsel staat zelden op zichzelf, omdat de werkelijkheid haast per definitie complex is. Het leukste aspect van onderzoek vind ik: dat het als onderzoeker je taak is om die onverwachte, onvermoede invloedsfactoren boven tafel te krijgen. Misschien is dus de beste strategie voor een nieuw seizoen Wie is de Mol: geen strategie. Geen hypotheses opstellen, maar alles wat belangrijk kan zijn inventariseren. Wie weet, zit ik dan een keer goed.


donderdag 28 maart 2013

De jeugd van later

Dit artikel is ook gepubliceerd in het Nederlands Dagblad van 27 maart 2013

Eerst kwam ik een stampvoetende peuter tegen die tegen mij, een voor haar volslagen onbekende, schreeuwde: “Ik. Wil. Dat. Jij. NU!!! Met. MIJ!! Een. Spelletje. Doet!!” Hoewel ik als moeder van twee dochters wel wat gedrein gewend ben, kon ik bij het zien van deze boze peuter alleen maar denken: waar gaat dat heen? Wordt dit de jeugd van later?

Vervolgens las ik een verontrustend interview met de voormalig voorzitter van de Eurogroep Jean-Claude Juncker in het Duitse tijdschrift Der Spiegel. Juncker zei daarin dat de huidige situatie in Europa erg vergelijkbaar is met de periode na de Eerste Wereldoorlog. Allerlei anti-sentimenten steken de kop op. Duitsers hebben een afkeer van Grieken en omgekeerd. Turkse jongeren spreken zich openlijk uit tegen Joden, het diskwalificeren van hele bevolkingsgroepen (immigranten, ouderen) begint gemeengoed te worden.

Dat is niet zo vreemd. In risicovolle, spannende tijden gaan mensen op zoek naar houvast. Dat vinden we in het uitvergroten van verschillen tussen onze eigen groep en de anderen, wij en zij. Juncker verbond daar een aantal gewaagde consequenties aan: die houding holt volgens hem de democratie uit, en leidt uiteindelijk tot oorlog. Oftewel: hoe harder we stampvoetend ikke, ikke, ikke roepen, hoe onveiliger Europa wordt en hoe dichter we een oorlog naderen. 

Ik moest weer even terugdenken aan deze twee situaties terwijl ik afgelopen week het boek opensloeg van de Amerikaanse psychiater Rudolf Dreikurs. Hij publiceerde in 1964 zijn principes voor de opvoeding, die een alternatief moesten vormen voor lijfstraffen: 'met een zweepje achter uw kind aanlopen heeft geen zin, moeder!' Ik vind vooral het opvoeddoel van Dreikurs interessant. Hij streeft niet naar succesvolle of beleefde kinderen, of naar mensen zelfverzekerd zijn en hun talenten kennen. Het doel van Dreikurs' opvoedmethode is 'het jonge mensje op te voeden tot deelnemer aan een democratische maatschappij, waarin mensen elkaar achten, met elkaar samenwerken, verantwoordelijkheid voor het grotere geheel willen dragen en meer in 'wij' dan in 'ik' begrippen denken, op basis van een gezond gevoel van eigenwaarde.'

Dit uitgangspunt maakt Dreikurs' opvoedprincipes bijna tot een politiek manifest. Onze democratie staat of valt met het resultaat van de opvoeding van onze kinderen. Juncker zou misschien zelfs zeggen: een goede opvoeding voorkomt een oorlog. Dat stelt de ouders van nu voor een forse taak, waar ze alle (pedagogische) ondersteuning bij nodig zullen hebben van grootouders, leerkrachten en buren. Laten we daarom ophouden met bakkeleien over de CITO-toets, en ons richten op de kinderen zelf, de jeugd van later. Dat is – zeker binnen kerkelijke gemeenten – een taak van alle generaties. Er staat een oorlog op het spel.



donderdag 28 februari 2013

Niet strafbaar

Wat zijn de overeenkomsten tussen succesbedrijf Apple, failliete scholenkoepel Amarantis en staatsbank SNS? Overeenkomst één: ze zorgden afgelopen weken alle drie voor nieuws. Apple bespaarde miljoenen euro's door een slimme belastingroute langs Nederlandse brievenbusfirma's te gebruiken. Dat is voor Apple natuurlijk prachtig, maar met veel anderen vroeg ik me af: is dat wel legaal? Overeenkomst twee: diezelfde vraag was het refrein van de discussies over Amarantis en SNS. De onzorgvuldige overnames, het misbruik van personeelsregelingen en de exorbitante salarissen van bestuurders geven een wat ongemakkelijk gevoel. Mag dat allemaal zomaar?

In het klein vinden we dergelijke constructies veel minder problematisch. Niemand ziet er kwaad in om naar een andere supermarkt te fietsen, waar het brood goedkoper is. Overstappen naar een andere werkgever die betere arbeidsvoorwaarden biedt is helemaal niet vreemd, en gelukkig is het doen van verkeerde aankopen niet strafbaar. Zo staat het ook bedrijven vrij om, binnen de grenzen van de wet,  zo min mogelijk belasting te betalen. Vorige week zei de onderzoekscommissie van Femke Halsema dan ook het volgende over Amarantis: “er zijn geen strafbare feiten gepleegd, maar er is onbehoorlijk profijtelijk voor het eigen gewin gezorgd.” De derde overeenkomst is daarom: het gedrag van Apple, Amarantis en SNS is wel te veroordelen, maar niet strafbaar. De wet blijkt soms ruimer dan de moraal verlangt.

Wat is daar tegen te doen? Femke Halsema schrijft dat “ongewenst gedrag alleen is terug te dringen door het gedeelde moreel bewustzijn te versterken.” Het is dus tijd onze normen en waarden weer eens op te poetsen. Dat klinkt mooi, maar het is denk ik niet genoeg. De praktijken bij SNS, Apple en Amarantis zijn juist ontstaan in de jaren dat Balkenende ijverde voor de terugkeer van ons geweten. Maar als wetten en moraalridders dergelijke situaties niet kunnen voorkomen, wat dan? 

Een oplossing schuilt hierin: de wet kan ook strakker zijn dan dat moreel acceptabel is. Wat zal er bijvoorbeeld gebeuren wanneer al personeel in Nederland zich exact aan de werkuren gaat houden? Niemand doet meer een stap harder, niemand werkt een half uurtje langer om een belangrijke klus nog even te klaren. Het gevolg is denk ik snel te merken: als we ons massaal precies aan wet en regels houden ligt het (trein)verkeer, bedrijfsleven en de overheid binnen 24 uur plat.

Daarom hier een gulden tip voor iedereen die klant of werknemer is van een organisatie die – hoewel legaal – volstrekt amoreel bezig is. Keer het om, dwing morele verandering af. Niet door te staken of te demonstreren, maar door naar de letter van wetten en regels te gaan handelen. Houd je exact aan alle voorschriften en regels. Geef bijvoorbeeld alle nodige én onnodige wijzigingen door aan de administratie. Of doe geen tittel of jota meer dan dat in je functieomschrijving staat. Dat is niet strafbaar, maar wel ontregelend. En ongetwijfeld is het in no time uiterst effectief.


dinsdag 29 januari 2013

Had ik dat maar...

Ik moet het toegeven: een van mijn minst fijne eigenschappen is de 'had ik dat maar'-gedachte. Zo kan ik na een bezoek aan vrienden met een pas verbouwd huis verzuchten: 'sjonge, had ik maar zo'n ruimte.' Geheel onterecht, want mijn gezin beschikt over voldoende vierkante meters, waarmee we bovendien heel tevreden zijn. Toch laat de 'had ik dat maar'-gedachte zich vaak niet onderdrukken.

'Had ik dat maar' is een moderne mix van de oeroude zonden Hebzucht, Afgunst en Onmatigheid. Het begint slinks, met een beetje ontevredenheid, maar voor je het weet laat de gedachte je niet meer los. De laatste weken kom ik veel extreme uitwassen van het 'had ik dat maar'-virus in de kranten tegen. Managers met miljoeneninkomens, veelverdieners in de publieke sector, veertigers die jaloers de bedragen natellen die de huidige zeventigers als pensioen uitgekeerd krijgen – we leiden allemaal aan dezelfde kwaal.

Vorige week werd in de RAI een prijs voor familiebedrijven uitgereikt door John Fentener van Vlissingen. In het nieuws werd daarna met veel tam tam het speciale karakter van familiebedrijven geprezen. Het meest bijzondere: ze kennen geen graaicultuur, want ze houden altijd rekening met de volgende generatie. Dat gold ooit misschien voor alle ondernemers, maar 'gewone' bedrijven zijn zich inmiddels vooral gaan richten op maximale winsten op de korte termijn.

De Nederlandse organisatiepsycholoog Hofstede gebruikt oriëntatie op de lange of juist korte termijn om verschillen tussen culturen inzichtelijk te maken. Een maatschappij die gericht is op de lange termijn vindt dingen als sparen, doorzettingsvermogen en familie belangrijk. Zo leren kinderen in Aziatische dat resultaten het gevolg zijn van volharding en zelfdiscipline. Westerse landen worden juist steeds meer gericht op de korte termijn. Er is een sterke focus op resultaat, innovatie en individualisme. Investeringen moeten snel rendement opleveren en persoonlijke vrijheid wordt heel belangrijk gevonden. Zo bezien lijkt de kloof tussen het Oosten en het Westen precies op het verschil tussen familiebedrijven en 'gewone' bedrijven. Misschien zelfs dat familiebedrijven nog laten zien wat het ouderwetse Nederlandse arbeidsethos was, in een cultuur die zich inmiddels vooral op de korte termijn richt.

John Fentener van Vlissingen reikte zijn prijs uit tijdens de Big Improvement Day. Deze dag staat jaarlijks in het teken van innovatie, vernieuwing en verandering – begrippen die volgens Hofstede horen bij de korte termijn-cultuur. Maar tijdens deze dag werden vooral ideeën gepresenteerd voor een duurzame toekomst voor de volgende generaties. Daardoor raakte de cultuur van de korte termijn even aan de cultuur van de lange termijn. En dat bleek een vruchtbare samenwerking: er kwamen heel wat ideeën voorbij waarvan ik dacht: “sjonge zeg, had ik die maar....”



Jheronimus Bosch bracht in de 15e eeuw de zonden Hebzucht, Onmatigheid en Afgunst treffend in beeld.
 

vrijdag 28 december 2012

Let it snow

Je zou het haast niet geloven, met deze warme dagen rond kerst en Oud en Nieuw, maar een paar weken terug stond er bij ons echt een sneeuwpop in de tuin. Tijdens die twee dagen sneeuw reisde ik met de trein naar Amsterdam. Dat had ik beter niet kunnen doen, want de Klagende Nederlander had ook massaal besloten de trein te nemen. Het meisje dat naast me stond op het perron spande de kroon. “Belachelijk toch,” zei ze. “Twee centimeter sneeuw en het hele land ligt plat. Moet je nagaan. In Rusland ligt wel een meter sneeuw en je zal zien, de enige trein hier die nog op tijd rijdt is de ICE naar Moskou.” Ze stond er een beetje bij te rillen. Dat was voor de vorm, want ze had een dure parka aan met een dikke bontkraag. In plaats van te klagen had ze beter gratis krantje kunnen lezen dat op het bankje op het perron lag, dan had ze wat kunnen leren over sneeuw in Moskou.

Begin deze maand werd Rusland overvallen door een hevige sneeuwbui. In het eerste weekend van december ontstond er daardoor een file van 200 kilometer tussen Moskou en Sint Petersburg. Die file duurde vier dagen. Een van de automobilisten die 48 uur vast had gestaan in een koud, donker bosgebied zei daarover: 'het was verschrikkelijk. Na zo veel uur begint je water en voedsel op te raken, en ik had ook bijna geen brandstof meer'.

Dat geeft te denken. Wie in Rusland gaat reizen, neemt dus zijn maatregelen. Een uurtje autorijden is daar geen kwestie van even de tomtom instellen, maar zorgvuldig proviand inslaan. Groot pak ontbijtkoek, een fles water (en wodka) en voldoende cash. Dan kun je er even tegen als je vast staat. Een groter contrast met de Nederlandse reiziger is haast niet denkbaar. Als er slecht weer op komst is stuurt de Nederlandse Spoorwegen alle reizigers met een abonnement vast een mailtje, om de gewijzigde dienstregeling aan te kondigen. Daarbij benadrukt de NS dat 'de regeling rond teruggave van reiskosten na vertraging bijzonder ruimhartig is'. Als je als reiziger door alle winterse taferelen erg lang moet wachten, zoals vorig jaar, worden er veldbedden en blikken erwtensoep aangerukt. Voor alles wordt gezorgd, en het is bovendien gratis. De Nederlandse reiziger kan juist bij sneeuw en ijzel gerust zonder portemonnee van huis vertrekken.

De Russische automobilisten kregen nauwelijks noodhulp. Wie geen eten bij zich had, moest te voet naar een dorpje gaan, waar voor woekerprijzen voedsel te koop was. Volgens de Russische overheid kwam de hulp juist snel en adequaat op gang en werd iedereen snel en vriendelijk geholpen. 'Zeker,' reageerde een automobilist. 'Iedereen was reuze vriendelijk, behalve die keren dat mensen mijn voedsel wilden stelen en ik met een mes werd bedreigd.'  

In Nederland werden de voorbereidingen van de NS op het sneeuwweekend met argusogen bekeken. Zouden de spoorwegen hun beloftes wel waarmaken? Worden we wel goed genoeg bediend en geholpen? Volgens mij verliep het allemaal best goed. Misschien is het dan tijd om te zeggen: goed gedaan. Fijn dat we in Nederland, ook bij sneeuw, kunnen vertrouwen op ons vervoer. En als het weer gaat sneeuwen? Dan trekken we allemaal een dikke parka aan en nemen een plakje ontbijtkoek mee. Als het moet kunnen we dan best een half uurtje op de trein wachten.


donderdag 29 november 2012

Vol verwachting

Verschenen in het Nederlands Dagblad op 28 november 2012

Deze tijd voor Sinterklaas is de spannendste tijd van het jaar voor mijn dochter. Ze is al weken bezig met haar verlanglijstje. Die bevat naast ontstellend dure cadeaus gelukkig ook wat simpele verlangens. Zoals een pen, en een roze gymtas van Esprit.

Dat een gymtas nog niet zo'n simpel cadeau is, ontdekte ik toen ik vorige week een documentaire zag over kinderarbeid op Turkse katoenplantages. Dat er kinderarbeid plaatsvindt in de kledingindustrie is helaas geen nieuws, maar ik wist niet dat het zo dichtbij gebeurt. Terwijl mijn kinderen hun schoen zetten werken veel Turkse kinderen 12 tot 14 uur per dag op het land om katoen te oogsten. En het katoenspoor dat de documentaire volgde eindigde in een fabriek waar (namaak) producten van Esprit werden gemaakt. Oeps! Toch maar zoeken naar een ander cadeau...

In steeds meer branches dringt het besef door dat dat een omslag naar duurzaam en verantwoord produceren nodig is. Maar het duurt lang voordat het kwartje valt. Bestuurders zoeken eindeloos naar oplossingen voor maatschappelijke problemen, en komen dan alsnog met vrij traditionele maatregelen. Maar om de keten te veranderen zijn echt nieuwe ideeën nodig. Waar halen we die vandaan?

Goede inspiratie komt in dit geval van dichtbij: onze kinderen. Steeds meer organisaties proberen kinderen te motiveren om in actie te komen. De stichting go for youth bijvoorbeeld, waarbinnen ik zelf ook actief ben. Wanneer je kinderen in aanraking brengt met de leefwereld van hun leeftijdsgenoten in minder bevoorrechte landen – bijvoorbeeld de Turkse katoenplukkers – komen ze zelf vaak met talloze ideeën over hoe ze kunnen helpen. Daarmee geven de kinderen een heel nieuwe invulling aan ontwikkelingshulp.

Dat kinderen vol inspiratie zitten weten commerciële bedrijven al jaren. Het bedrijfsleven geeft niet voor niets miljoenen uit aan onderzoek naar kindermarketing. Tot dusver worden ideeën van kinderen echter vooral ingeschakeld om producten te verkopen of rages te organiseren. De door prinses Laurentien opgerichte stichting Missing Chapter Foundation gaat een stap verder. De stichting brengt kinderen en beslissers uit het bedrijfsleven samen, waarbij kinderen mee kunnen denken over de maatschappelijke vraagstukken van bedrijven. Doordat kinderen daarbij vanuit een bijzondere invalshoek meedenken, levert dat de bedrijven allerlei verfrissende inzichten op.

Mijn suggestie voor de Missing Chapter Foundation zou zijn: daag Esprit uit om samen met Nederlandse kinderen de productieketen van katoen in kaart te brengen. De kinderen hebben vast allerlei ideeën over hoe de Turkse kinderen geholpen kunnen worden om toch naar school te gaan. Ik meld mijn dochter vast aan voor de brainstormsessie. Misschien maakt ze dan zelf de aanschaf van haar mooie roze gymtas mogelijk...


woensdag 24 oktober 2012

Held of Kneus?


Gepubliceerd in het Nederlands Dagblad op 24 oktober 2012

“Ik vind het een loffelijke taak om een man met een minimuminkomen een menswaardige woning te geven. Maar niet als het ten koste gaat van andere mensen. Niet als belastingen erdoor verhoogd worden”. Is dit een citaat uit een interview met Mark Rutte of een quote van de Republikeinse presidentskandidaat Mitt Romney? Het antwoord: geen van beide – of allebei. Het is een zin uit een van de klassiekers van schrijfster Ayn Rand, die beide politici sterk beïnvloedt.

Het is toeval dat ik een week of zes geleden The Fountainhead opsloeg, het boek waarmee Ayn Rand in ’43 doorbrak in Amerika. In de weken die het me kostte om de 750 gortdroge pagina’s van het boek door te akkeren, laaide de verkiezingskoorts in de VS op – en begonnen de overeenkomsten tussen de opmerkingen van Mitt Romney en die van Rands helden me op te vallen. Wat googlen leerde me al snel dat Rand een van de motors achter het republikeinse gedachtengoed is. Ze is een icoon van de Tea Party, die spandoeken gebruikt met leuzen als ‘Rand was Right’. Maar de invloed van Ayn Rand reikt verder. Na de Bijbel is haar tweede grote roman, het 1100 pagina’s tellende Atlas Shrugged (1957) het meest gelezen boek in de Verenigde Staten. Die twee boeken vormen overigens een bijzonder stel: waar de Bijbel naastenliefde predikt, is egoïsme de hoogste deugd in de wereld van Ayn Rand. De Republikeinse partij heeft een merkwaardige mix van die twee gemaakt. Conservatief christendom gaat daarbij samen met het egoïstische kapitalisme van Rand, waarin het eigen kunnen centraal staat en naastenliefde een taboe is.

Volgens Ayn Rand bestaan er maar twee soorten mensen: makers (helden) en takers (kneuzen). De helden zijn steeds bijzonder getalenteerd, gedisciplineerd en ongenaakbaar. Het zijn vernieuwers en ondernemers. De kneuzen noemt Rand 'tweedehands mensen'. Zij hebben geen oorspronkelijke ideeën maar lopen de publieke opinie achterna. Zij zijn de 'stem van het volk'.

Mitt Romney maakt graag gebruik van dit onderscheid tussen makers en takers. In zijn carrière als harde saneerder in het bedrijfsleven deelde hij werknemers in die twee groepen in, en bepaalde zo wie ontslagen moest worden en wie mocht blijven. Ook in de campagne zet Romney Rands filosofie in. Zei zei hij onlangs dat hij verwacht dat 47% van de Amerikanen op Obama zal stemmen omdat ze afhankelijk zijn van de overheid voor hun levensonderhoud. Wie zijn voorliefde voor Rand kent, ziet de dubbele bodem. Romney bedoelde: wie op Obama stemt is een taker, een kneus. Maar wie een maker is stemt op mij.

Amerikanen groeien op met de ideeen van Ayn Rand zoals wij opgroeien met Annie M.G. Schmidt. Haar boeken worden gratis uitgedeeld op high schools. Romneys tactiek kan daardoor een groot effect hebben. Of de Amerikanen het zelf doorhebben of niet, ze zullen in het stemhokje antwoord geven op de vraag: ben ik een kneus of een held?


vrijdag 28 september 2012

Nu samen vooruit!


Gepubliceerd in het Nederlands Dagblad op 26 september 2012
Ik voorspel dat het komend regeerakkoord het motto 'Nu samen vooruit' meekrijgt. Dat klinkt lekker actief en het vat bovendien de verkiezingsslogans van afgelopen zomer goed samen. Alle partijen van links tot rechts predikten immers economische groei. Nederland moet beter worden, sterker, socialer. We willen verandering, en dat willen we nu. Vandaag nog. Want... ja, waarom eigenlijk?

Natuurlijk is Nederland geen roze wolk. De juf op school heeft het een stuk drukker gekregen, met zo'n volle klas. Voor ouderen en chronisch zieken is het organiseren van zorg zeker geen peulenschil. Twintigers vinden moeilijk een baan, dertigers kunnen geen hypotheek meer krijgen. Er hebben best veel kinderen obesitas en bijna niemand gebruikt zonne-energie. In de campagne wezen partijen naar Duitsland: het land waar alles beter is.

Maar hé, dat is maar een kant van de medaille. De juf vindt nog de tijd om mijn oudste dochter plustaken te geven. En als mijn jongste dochter ziek is, heeft ze binnen een paar uur professionele zorg om haar bedje staan. Dat is best bijzonder: in een groot deel van de wereld zou dat niet zo soepel gaan. Zelfs onze buur België heeft veel dingen niet zo goed geregeld. Hoe komt het dat we ons daar niet mee vergelijken, maar dat we allemaal naar Duitsland kijken?

Volgens de filosoof Alain de Botton ontlenen we ons zelfbeeld voor een groot deel aan onze positie op de maatschappelijke ladder. Ons vergelijkingsmateriaal heeft daarbij liefst ongeveer evenveel kansen en talenten: de Duitsers dus. Als zij betere (economische) resultaten boeken dan wij, dan steekt dat. Nederland voelt zich falen. En volgens de Botton komt uit falen vernedering voort. Dat is het knagende besef dat we niet in staat zijn geweest de wereld te laten zien wat we waard zijn. Alain de Botton noemt dat statusangst.

Om die statusangst te vermijden hebben politici de afgelopen jaren geprobeerd Nederland uit het slop te trekken. Ruttes mantra daarvoor was 'Vrijheid en Verantwoordelijkheid'. Onder Balkenende moest het motto 'Samen werken, samen leven' soelaas bieden. Maar die saamhorigheid heeft de economie net zo min doen kenteren als Ruttes eigen verantwoordelijkheid. Ik denk dat het komende kabinet het nog een keer gaat proberen, met 'samen vooruit'. Maar als ook dat niet lukt ziet Alain de Botton de toekomst somber voor ons in: voortaan zijn we dan gedoemd succesvollere landen met verbittering te bezien en onszelf met schaamte.

Gelukkig is er een oplossing voor statusangst. Zodra we onder ogen zien wat we nastreven kunnen we besluiten dat niet meer te doen. We hoeven onze tijd, geld en energie niet te verspillen om te bewijzen wat niet bewezen hoeft te worden. Nederland hoeft niet alle ranglijsten aan te voeren, en op alle vlakken het beste land van de wereld te zijn. We kunnen ons ook gewoon vergelijken met België. Het vormen van een kabinet kunnen we bijvoorbeeld vast een stuk sneller.


zaterdag 25 augustus 2012

Onbedoelde effecten van beleid

Gepubliceerd in het Nederlands Dagblad op 24 augustus 2012

Er staat een EU-logo op het aanrecht van het appartement. De gloednieuwe speeltuin in een verlaten boerengehucht is ‘funded by the EU’. Ook de gloednieuwe snelweg, het opgeknapte zwembad en de B&B zijn voorzien van een blauwe vlag met twaalf gele sterren. In Polen, het land waar ik de zomermaanden doorbracht, is de Europese Unie tastbaar aanwezig in het dagelijks leven.

Goed nieuws voor Midden-Europa, dacht ik. De EU geeft een impuls aan de lokale economie, huizen worden weer opgeknapt. Er hangt een sfeer van vooruitgang. Maar schijn bedriegt.
De kleine boeren in Silezië, een streek in Polen, zijn helemaal niet blij met de EU. De strenge eisen die de Unie stelt aan hun landbouwgewassen en aan de melk van hun koeien maken een rendabel boerenbestaan haast onmogelijk. Hun bedrijven zijn te klein, en zonder enige schaalgrootte kunnen ze nooit aan de vereisten voldoen.

Er is een simpele oplossing, zegt de EU: werk samen, start een coöperatie. Maar dat schiet deze keuterboertjes in het verkeerde keelgat. Decennialang hebben ze, ondanks de hevige druk van communistisch Rusland, hun zelfstandigheid behouden. Ze zijn niet gezwicht voor de politiek van grote landbouwcoöperaties. En nu zijn ze ‘vrij’ – maar in wezen wordt de druk alleen wat subtieler uitgeoefend.

De subsidies, regels en economische prikkels voor deze Poolse regio zijn ongetwijfeld goed bedoeld. De landbouwregels zorgen voor betere exportmogelijkheden door uniformere producten. De nieuwe speeltuin moest vast de teruglopende sociale cohesie verbeteren, de snelweg zou zorgen voor bedrijvigheid en met een gloednieuw hotel komt het toerisme vanzelf op gang. Maar zo blijkt het niet te werken.

De zoons en dochters van deze boeren raken gedemotiveerd. Ze zien geen brood meer in een boerenbestaan en trekken naar de steden of naar het Westen. De dorpen sterven uit, de gloednieuwe speeltuin ligt er verlaten bij. Het beleid van de EU blijkt dus wat onvoorziene bijwerkingen te hebben. De econoom Charles Wolfe noemt dat ‘overheidsfalen’– de tegenhanger van marktfalen. Dit falen komt doordat de overheid uitgaat van een versimpeling van de werkelijkheid. Te vaak wordt vergeten dat beleid terechtkomt in een complexe sociale context – bijvoorbeeld die van de Poolse weerstand tegen coöperaties. Goed overheidsbeleid zou juist gebruik moeten maken van de afstand tot de regio om de belangrijkste tradities en structuren te herkennen en te verwerken in regels en subsidies.

Ik denk het niet dat de onbedoelde gevolgen van beleid op de Brusselse bureaus terecht komen. Ik stel me zo voor dat het beleid elke twee jaar wordt geëvalueerd, waarna de ambtenaren met een vuistdik rapport kunnen aantonen dat hele regio’s er op vooruitgaan. En ze stellen vast dat de Poolse economie nog blijft groeien, mede mogelijk gemaakt door de EU. Maar nog even en de kleine boeren in Silezië zijn weg. En ik vrees dat deze Poolse streek niet de enige regio is waar het zo gaat….


woensdag 25 juli 2012

Dooi in Genemuiden

Gepubliceerd in het Nederlands Dagblad op 25 juli 2012

Soms vraag ik me af op welke manier geschiedschrijvers later de periode waarin we nu leven zullen typeren. Misschien dat ze voor het Europa van nu het woord 'vastgevroren' zullen gebruiken: vastgevroren in routines en gedachtenpatronen. Maar die typering geldt niet alleen voor Brussel. We zijn nog gewend te praten over groei en ontwikkeling, maar in de praktijk zitten veel mensen zelf ook vast in een patstelling. Ze zitten vast in een vervelende baan, in een uitkeringssituatie of aan torenhoge lasten. Het praten over groei en verandering steekt daar schril bij af: dat zijn niet meer dan holle frasen.

Zelf zat ik de afgelopen maanden ook vastgevroren. Ik betrap mezelf erop dat mijn houding allengs sceptischer en cynischer wordt – bijna zonder dat ik het door heb. De optimistische momenten die ik vroeger vaak had, waarop ik dacht de wereld te kunnen verbeteren dankzij dat ene goede idee, worden steeds schaarser – en ik word steeds cynischer. De Duitse filosoof Peter Sloterdijk beschrijft zulk cynisme als verlicht verkeerd bewustzijn. Daarmee bedoelt hij: de mens weet wat hij (fout) doet, maar doet het toch, want de 'dwang der dingen' en een 'drang tot zelfbehoud' leiden hem daartoe. Dat vat mijn veranderde houding denk ik adequaat samen: ik weet wat er aan schort, maar ben vastgevroren en door mijn streven naar zelfbehoud onmachtig in te grijpen. En ik durf die veranderde houding die ik bij mezelf proef te projecteren op de bredere context van de maatschappij om mij heen: we zijn vastgevroren in cynisme.

Einde verhaal? Nee, zeker niet. Want wat is vastgevroren kan ontdooien. Het begin van de dooi kwam voor mij uit Genemuiden. Een ondernemer liet me daar zien hoe hij, vol passie en enthousiasme, een bedrijf runt vanuit het idee van rentmeesterschap. Hij investeert zijn tijd en energie niet in zijn bedrijfsbelang. Hij investeert het in mensen met een beperking, die hij binnen zijn bedrijf het vertrouwen, de zekerheid en veiligheid geeft die werk een mens kan bieden. Een prachtige, hoopvolle bedrijfsvisie.

Volgens Peter Sloterdijk staat tegenover het streven naar zelfbehoud (cynisme) een houding die eerder voor leven kiest dan voor het koste wat kost overleven. Hoewel de atheïstische Sloterdijk het vast niet zo bedoeld heeft, raakt zijn filosofie hier aan de invulling die het bedrijf in Genemuiden geeft aan rentmeesterschap. Als rentmeester ben je niet aangesteld om te laten renderen, maar om zorgvuldig te beheren. Het gaat dus niet om winst, maar om perspectief. Niet om zelfbehoud, maar om kiezen voor zinvol leven. Dat zijn abstracte termen, maar het bedrijf in Genemuiden laat zien dat je dat heel concreet kunt maken, als ondernemer, als werknemer, als mens. Als we dat gaan doen gaat het heel snel dooien, en zijn we sneller losgevroren dan we nu durven denken.

woensdag 23 mei 2012

Later blijft alles beter

Gepubliceerd in het Nederlands Dagblad op 23 mei 2012

'De afgelopen jaren heeft ons bedrijf heel wat te verstouwen gehad,' zuchtte de man. 'We hebben allerlei reorganisaties uitgevoerd, om klaar te zijn voor wat wij dachten dat de toekomst was. Maar nu de nieuwe organisatiestructuur bijna klaar is komen we tot de ontdekking dat de wereld om ons heen er totaal anders uitziet. We hebben al die tijd gewerkt aan een idee dat achterhaald blijkt te zijn.'

'Niets is blijvend, behalve verandering', zei de Griekse filosoof Heraclitus zo'n 2500 jaar geleden. Een uitspraak die nog altijd actueel is. Waar ik ook kom – bij bedrijven, overheden, non-profit instellingen – overal wordt veranderd. De achterliggende reden klinkt als een refrein door al deze organisaties: we moeten met minder toe, én het moet beter. En dus moet alles anders.

Ondertussen is het niet helemaal duidelijk waar al die reorganisaties nou precies over gaan. Er moet vaak efficienter gewerkt worden en omgangsvormen moeten zakelijker. Maar steeds vaker gaan verandertrajecten een slag dieper. Dan gaat het niet alleen over taken en handelingen, maar ook over hoe mensen in hun werk staan en wat bedrijven, teams en medewerkers drijft. Zo'n cultuuromslag is een ingrijpend traject, dat volgens de traditionele organisatiewetenschappen zijn tijd nodig heeft. In de huidige verandercultuur wordt echter steeds vaker gevraagd hoe snel het kan in plaats van hoe lang zo'n traject nodig heeft. Het gevolg hiervan is snelle verandering op snelle verandering: terwijl de medewerkers opgelucht ademhalen omdat hun baan niet geschrapt is, moeten ze al weer diep moed inademen om te wennen aan een nieuwe cultuuromslag. Kortom: niets is blijvend, behalve verandering. Geen wonder dus dat de woorden van Heraclitus in het moderne Europa het motto zijn geworden voor een cultuur van 'veranderingsmanagement'.

De filosoof uit Efeze deed deze uitspraak echter in de context van zijn theorie. Die wordt vaak geïllustreerd door te stellen dat je nooit twee keer in dezelfde rivier kunt stappen. Want de tweede keer dat je in het water stapt zijn zowel de rivier als jijzelf een klein beetje veranderd. Dat voorbeeld past bij de lome, trage verandering van veroudering of van het wisselen van de seizoenen. De toepassing op snelle bliksemreorganisaties is eigenlijk veel minder logisch.

Werkend Nederland kent inmiddels een groot aantal werknemers die al jaren door allerlei reorganisaties gaan en steeds vechten met onzekerheid over hun baan. Die medewerkers zijn moe en murw geslagen. Ze zijn toe aan rust en continuïteit.

Gelukkig is er ook een beweging te zien die daaraan bijdraagt: duurzaam werken. Steeds meer bedrijven denken erover na hoe ze ervoor kunnen zorgen dat het personeel hun werk goed kan volhouden. Ook dat kan verandering betekenen: de een krijgt er misschien een taak bij, terwijl de ander juist een stapje terug doet. Dat is een vorm van verandering die eigenlijk veel beter bij Heraclitus' uitspraak past: een verandering die tegelijkertijd continuïteit is.