Posts tonen met het label openheid. Alle posts tonen
Posts tonen met het label openheid. Alle posts tonen

donderdag 21 november 2013

Over seks e.d. - openheid in de gemeente



Veel christenen missen een elementaire vaardigheid om een tegentijdse seksuele moraal vast te houden: openheid. Wat het zeker niet makkelijker maakt is de radicale toon van christenen over seks en relaties. 

In haar documentaire Sletvrees – en in het gelijknamige boek – stelt Sunny Bergman ‘het laatste seksuele taboe’ aan de kaak: dat we mannen cool vinden als ze met veel vrouwen het bed delen, terwijl we vrouwen die dat met veel mannen doen, sletten noemen.

Ik zag de documentaire afgelopen donderdag. De dag erop stond een interview met Bergman in het Nederlands Dagblad (15 november). Daarin toonde zij zich vooral een feministe. Ze benadrukte dat ze geen vooral geen hedonistische levensstijl propageert, maar dat ze ongelijkheid tussen mannen en vrouwen wil aanvechten. Mannen kunnen zorgeloos onenightstands hebben, terwijl vrouwen die dat doen, zich zorgen moeten maken om hun reputatie; dat is volgens Bergman niet eerlijk.

Een week eerder viel bij ons thuis een themanummer van het Volkskrant Magazine op de mat, helemaal gewijd aan Sletvrees. Mijn man vond dat een reden om de Volkskrant op te zeggen; ik vond het eerder een bewaarnummer.

Het was samengesteld als een feestnummer waarin seksuele vrijheden werden toegejuicht. Het magazine las daardoor als een bloemlezing van meningen en opinies rondom de moderne seksuele moraal. Sunny Bergman toonde zich in dit themanummer een stuk uitgesprokener dan in het ND: ‘Het idee dat vrouwen liefde en seks niet kunnen scheiden, daar geloof ik niet in. Als de seks fijn is, kun je er best liefdesgevoelens bij hebben. Maar dat hoeft niet per se en het hoeft ook niet meteen heel zwaar te zijn, niet gekoppeld aan een belofte.

In de documentaire zelf lopen het feminisme en activisme nogal door elkaar. Bergman haalt diverse wetenschappers in beeld om aan te tonen dat het niet de biologie is, maar dat het onze culturele verwachtingspatronen zijn die verschillen in seksuele beleving tussen mannen en vrouwen veroorzaken. Maar in de film klinkt ook een veel radicaler geluid door: dat we niet te preuts moeten doen over mensen die (heel) veel seksuele partners hebben. Deze tweede, minstens zo belangrijke boodschap blijft in het ND-interview een beetje tussen de regels hangen. De seculiere Volkskrant maakt deze boodschap juist heel expliciet: ‘Seks hoor je te doen. Je bent gek als je het niet doet, je bent helemaal gek als je het in je leven maar met één persoon zou proberen. Waarom zou je? Alles kan en mag! Dan ga je je toch niet beperken?’

In haar gedrevenheid het taboe rond seksueel actieve vrouwen te doorbreken schept Bergman zo het volgende taboe: het leiden van een monogaam seksleven. Ik vind dat een heftige ontwikkeling en maak me er zorgen over. Want steeds meer mensen vinden je – net als Sunny Bergman – niet helemaal sporen als je seks verbindt aan een belofte, of wanneer je levenslang trouw bent aan één persoon. De christelijke seksuele moraal wordt dus steeds minder geaccepteerd en zelfs als bespottelijk weggezet. Dat weglachen van monogamie raakt aan de kern van onze christelijke waarden. Als de documentaire van Bergman voor mij iets illustreert, dan is het dit: we hebben als christenen een heel erg tegentijdse moraal vol te houden.

Het is niet voor het eerst in de geschiedenis dat de christelijke kerk voor die uitdaging staat. Onlangs hoorde ik een lezing van Robert Doornenbal, die duidelijke parallellen trekt tussen de huidige cultuur en de omgeving waarin de vroegchristelijke gemeenten uit de tijd van het Nieuwe Testament zich staande moesten houden. Ook deze gemeenten leefden in een tijd van materialisme, vreemdelingenhaat en seksuele uitspattingen. Zij stonden bekend om hun tegentijdse moraal: deze gemeenten kozen voor het delen van geld en goed, voor gastvrijheid en voor monogamie. Doornenbal stelt dat we ook nu in een wereld leven waarin het christelijk geloof in de marge is verdreven en niet langer de centrale cultuur is. Daarin moeten we opnieuw zoeken naar een eigen positie en een onderscheidende identiteit. Dat gaat vaak tegen de stroom in.

Ik zie onze kansen om daarin te slagen somber in, omdat de gemeenten van nu volgens mij de elementaire vaardigheid missen die nodig is om die moraal vol te houden: openheid. In de meeste christelijke gemeenten, in de meeste christelijke media en thuis in onze gezinnen weten we helemaal niet zo goed hoe we open kunnen spreken, laat staan over seksualiteit. Christelijke reflecties op seksualiteit vervallen vaak in oproepen tot radicale keuzes of waarschuwingen tegen porno en verleiding. Seksualiteit wordt vaak aangekaart op een directieve manier, waarbij er weinig ruimte is voor discussie en gesprek. Jan Willem Veenhof noemde dat afgelopen augustus in het Nederlands Dagblad ‘eenrichtingsverkeer’: “We zijn heel goed in het plaatsen van verkeersborden bij dat eenrichtingsverkeer, variërend van ‘stopborden’ (‘geen porno kijken’), via ‘verboden om te draaien’-borden (‘niet terugvallen’) tot borden die de verplichte rijrichting aanwijzen, als op een rotonde (‘alleen zó word je zoals God je bedoeld heeft’).” In mijn eigen pubertijd ontstond er zo’n radicale stroming rond het boek Ongekust en toch geen kikker. Hoewel de auteur van het boek wilde oproepen tot gesprekken over seksualiteit en relaties, vormde zijn boek het begin van een beweging waarin dat gesprek vaak beperkt bleef tot oproepen. ‘Maak een keuze! Doe dit ook!’.

Die radicale toon maakt het niet makkelijker om open en persoonlijk te praten over relaties. Sterker nog, het maakt een gesprek over seksualiteit vanuit het geloof al snel moraliserend – en daardoor afstandelijk. Gesprekken blijven daardoor erg aan de oppervlakte. Ze draaien uit op het herhalen van sociaal wenselijke stellingen en antwoorden, maar gaan niet over diepere drijfveren of emoties – laat staan over echt gevoeld berouw, verdriet of twijfels. In zekere zin plaatst zo’n oproep tot radicaliteit de seksuele beleving dus net zo goed buiten de geloofsbeleving.

Door die afstandelijkheid lijkt de manier waarop we in de kerk seks bespreken gek genoeg erg op de manier waarop Sunny Bergman haar kijkers door de documentaire loodst. Hoewel seks een van de intiemste onderwerpen is, is er ook in haar film vrijwel geen ruimte voor emoties. Sletvrees bevatte maar één scene die mij echt raakte: het moment waarop een meisje in tranen uitbarst tijdens een workshop ‘Ontdek je innerlijke slet’. Ze staat daar, heftig opgemaakt en uitgedost in sexy ondergoed, en snikt tegen haar medecursisten: ‘Jullie zijn zo mooi, maar ik voel me zo lelijk. Niemand wil mij.’

In het ontwapenende verdriet van dit hoerig opgedirkte meisje herkende ik mijn eigen diepe onzekerheid als tienermeisje. En die gevoelens zijn voor veel meer mensen herkenbaar. Het laat zien dat seksualiteit nauw samenhangt met diepere waarden als zelfwaardering, vertrouwen in anderen, het besef gekend en geliefd te zijn. Ik denk dat ons onvermogen om open over seksualiteit te praten samenhangt met het gebrek aan echt contact dat er binnen veel gemeenten is over deze diepere waarden.

Als u nu denkt dat het wel meevalt, daag ik u uit eens na te denken over de volgende voorbeelden. Zo’n 5-10% van alle Nederlanders heeft homoseksuele gevoelens. Waarschijnlijk dus ook in uw gemeente. Hoe vaak wordt er in uw kerk voor hen gebeden? En er is heel wat christelijke beeldspraak die illustreert hoe waardevol het is om seks binnen het huwelijk te houden. Maar hoe behulpzaam zijn onze voorbeelden voor het stel dat (nog) niet getrouwd is, of voor twee partners bij wie het vuur in de eigen relatie al jaren gedoofd is? Wie praat daar open over in de kerk, in een vertrouwde Bijbelstudiegroep of zelfs met eigen vrienden of familie? 
Voor mij zijn dit retorische vragen. Het antwoord: veel te weinig. Dat heb ik de afgelopen jaren zelf meer dan eens ervaren, bijvoorbeeld toen ik als vierdejaars student ongepland zwanger werd – voordat we getrouwd waren. Dat kun je niet verstoppen. Juist daardoor werd ik een aanspreekpunt voor jonge vrouwen die met mij deelden hoe ze worstelden met seks voor het huwelijk in de relatie met hun vriend. Want wat als je het al hebt gedaan, maar die grens toch weer terug over wilt steken? Bij wie kun je dan raad vragen? En bij wie in je gemeente kun je terecht als je als meisje of jongen een ballast meezeult van ongewenste seksuele intimiteiten? Of wanneer je een misstap hebt begaan en behoefte hebt aan een open gesprek over wat er is gebeurd?

Ik denk niet dat het verstandig is om dergelijke vragen in één keer op uw volgende kringavond op tafel te leggen. Onderlinge openheid heeft vertrouwen nodig, en dat moet groeien. Maar dat groeien begint met praten, delen, met echt contact. En u en ik kunnen wel besluiten om daar vanaf nu mee te beginnen. Breng, binnen en buiten de gemeente,  gesprekken op gang over geloof, relaties en seksualiteit – en wees daarin zelf ook bereid tot een eerlijke openheid. Stel eens een echt geinteresseerde vraag aan het tienermeisje voor u in de kerkbanken, of aan het pas gescheiden gemeentelid. En vooral: luister naar hun antwoorden. 

 

woensdag 26 juni 2013

De Burn-out Generatie

Dit artikel is verschenen in het Nederlands Dagblad op 26 juni 2013

“Als ik op mijn vijftigste terugkijk wil ik successen op mijn naam hebben staan die bepalend zijn voor de ontwikkelingen in mijn branche,” zo vertelde een dertiger over haar ambities. Ze kon haar toekomst precies schetsen en ze wist ook al wanneer die moest beginnen: “nu ik al dertig ben, en al zeven jaar werk kan ik zeggen: laat mij dat maar doen, dat kan ik nu.”

Ze vertelde dit in een duo-interview voor een vakblad, waarin deze jonge adviseur (30) samen met haar directeur (48) aan het woord was. De directeur moest, denk ik, een beetje lachen om de ambities van zijn medewerker. Want hij reageerde als volgt: “toen ik dertig was, had ik niet zulke expliciete ambities. Na een reorganisatie werd ik ineens leidinggevende. Ik kreeg dus het vertrouwen. En ach, men wordt al doende wijzer.”

Ik moest ook glimlachen om de uitspraak van de adviseur. Want als ik vorig jaar in zo’n soort interview had gezeten, had ik hetzelfde gezegd. Maar inmiddels is het tien maanden geleden dat ik, onderweg naar kantoor, de auto langs de kant van de weg moest zetten omdat ik niet meer verder kon rijden. Daarna duurde het nog een tijdje voor ik het toe durfde te geven: ik ben nog lang geen dertig, maar wel opgebrand. En ik ben niet de enige in mijn generatie. Afgelopen voorjaar maakte TNO bekend dat ruim 1 op de 7 werknemers tussen de 25 en 35 jaar last heeft van burn-outklachten. Dat is een enorme toename. Wij zijn niet de generatie X, of de generatie Einstein, maar de Burn-out Generatie geworden. Hoe komt dat?

Ik denk dat een verklaring ligt in het verschil in houding tussen de adviseur en de directeur. De jongste bedienden van nu zijn opgegroeid in een tijdperk van economische groei en snelle technologische en maatschappelijke veranderingen. Alles was mogelijk, als je maar je best deed. Dat zijn mijn generatiegenoten en ik gaan geloven. En we werken hard, dus we willen snel vooruit. Na zeven jaar werken nemen we het roer wel even over.

Tot een paar jaar geleden was the sky the limit voor de slimme, ambitieuze young professionals van mijn generatie. We hebben een droomstart op de arbeidsmarkt gehad. Maar de laatste jaren stagneert de snelle carrière en wordt de toekomst minder vanzelfsprekend. We moeten onze wensen en eisen bijstellen. Maar het lukt ons niet terug te schakelen naar een lagere versnelling, omdat we die nooit eerder hebben gebruikt. Ik denk dat daardoor zoveel twintigers en dertigers opgebrand raken.

Henri Nouwen, een ervaringsdeskundige, schreef daar iets over wat voor mij erg leerzaam was: ‘jaar achter jaar geven we gehoor aan geluiden die vinden dat we actief en zichtbaar moeten zijn. We denken oprecht dat we geroepen zijn om in het openbaar te treden, groots en meeslepend te leven. Maar Gods stem zegt: vertrouw erop dat je leven zinvol is, ook als dat niet zichtbaar is voor de buitenwereld.’ Dat is een radicaal andere versnelling. Niet eisen en wensen, maar verwonderd zijn als je vertrouwen krijgt. Net als die directeur, toen hij dertig was.



donderdag 28 februari 2013

Niet strafbaar

Wat zijn de overeenkomsten tussen succesbedrijf Apple, failliete scholenkoepel Amarantis en staatsbank SNS? Overeenkomst één: ze zorgden afgelopen weken alle drie voor nieuws. Apple bespaarde miljoenen euro's door een slimme belastingroute langs Nederlandse brievenbusfirma's te gebruiken. Dat is voor Apple natuurlijk prachtig, maar met veel anderen vroeg ik me af: is dat wel legaal? Overeenkomst twee: diezelfde vraag was het refrein van de discussies over Amarantis en SNS. De onzorgvuldige overnames, het misbruik van personeelsregelingen en de exorbitante salarissen van bestuurders geven een wat ongemakkelijk gevoel. Mag dat allemaal zomaar?

In het klein vinden we dergelijke constructies veel minder problematisch. Niemand ziet er kwaad in om naar een andere supermarkt te fietsen, waar het brood goedkoper is. Overstappen naar een andere werkgever die betere arbeidsvoorwaarden biedt is helemaal niet vreemd, en gelukkig is het doen van verkeerde aankopen niet strafbaar. Zo staat het ook bedrijven vrij om, binnen de grenzen van de wet,  zo min mogelijk belasting te betalen. Vorige week zei de onderzoekscommissie van Femke Halsema dan ook het volgende over Amarantis: “er zijn geen strafbare feiten gepleegd, maar er is onbehoorlijk profijtelijk voor het eigen gewin gezorgd.” De derde overeenkomst is daarom: het gedrag van Apple, Amarantis en SNS is wel te veroordelen, maar niet strafbaar. De wet blijkt soms ruimer dan de moraal verlangt.

Wat is daar tegen te doen? Femke Halsema schrijft dat “ongewenst gedrag alleen is terug te dringen door het gedeelde moreel bewustzijn te versterken.” Het is dus tijd onze normen en waarden weer eens op te poetsen. Dat klinkt mooi, maar het is denk ik niet genoeg. De praktijken bij SNS, Apple en Amarantis zijn juist ontstaan in de jaren dat Balkenende ijverde voor de terugkeer van ons geweten. Maar als wetten en moraalridders dergelijke situaties niet kunnen voorkomen, wat dan? 

Een oplossing schuilt hierin: de wet kan ook strakker zijn dan dat moreel acceptabel is. Wat zal er bijvoorbeeld gebeuren wanneer al personeel in Nederland zich exact aan de werkuren gaat houden? Niemand doet meer een stap harder, niemand werkt een half uurtje langer om een belangrijke klus nog even te klaren. Het gevolg is denk ik snel te merken: als we ons massaal precies aan wet en regels houden ligt het (trein)verkeer, bedrijfsleven en de overheid binnen 24 uur plat.

Daarom hier een gulden tip voor iedereen die klant of werknemer is van een organisatie die – hoewel legaal – volstrekt amoreel bezig is. Keer het om, dwing morele verandering af. Niet door te staken of te demonstreren, maar door naar de letter van wetten en regels te gaan handelen. Houd je exact aan alle voorschriften en regels. Geef bijvoorbeeld alle nodige én onnodige wijzigingen door aan de administratie. Of doe geen tittel of jota meer dan dat in je functieomschrijving staat. Dat is niet strafbaar, maar wel ontregelend. En ongetwijfeld is het in no time uiterst effectief.


vrijdag 29 juni 2012

Verlanglijstjes

Gepubliceerd in het Nederlands Dagblad op 27 juni 2012

Er zijn twee soorten mensen: de ene vindt het maken van verlanglijstjes een verschrikking, de andere soort is al maanden voor de Grote Dag in de weer met het bedenken van cadeaus. De meeste politici en mijn oudste dochter horen tot die tweede categorie, ik ben zelf van het type dat daar niets van snapt.

Mijn dochter wordt bijna zes. Zoals het hoort op die leeftijd heeft ze een wensenlijst die een redelijk verjaardagsbudget ver overtreft. Ze heeft hier een slimme oplossing voor bedacht: de verlanglijst opknippen en zoveel mogelijk mensen inschakelen om een stukje van het cadeau te kopen.

De dames en heren politici hebben de afgelopen weken ook hun wensenlijsten gepresenteerd, in de vorm van verkiezingsprogramma’s. Hypotheekrenteaftrek behouden, een sterker Europa, geld voor onderwijs of juist voor zorg. Het budget is beperkt, de wensen talrijk. Dus ook daar geldt: als je iets voor elkaar wilt krijgen moet je het zelf organiseren. Hoe doen ze dat? Het lijkt erop dat politieke partijen hierbij een voorbeeld nemen aan lobbyisten. In zijn boek 'Je hebt het niet van mij, maar...' liet Joris Luyendijk al zien dat die lobbyisten hun pijlen nauwelijks richten op politici of ministers – maar op ambtenaren. Want dat blijkt de plek waar de macht zit.

Dat de ambtenarij macht heeft is geen geheim. Ambtenaren geven vorm aan de uitvoering van regelgeving en hebben een sterke invloed op besluitvorming. Maar ze leveren ook input voor verkiezingsprogramma's en voor het regeerakkoord in de fase van onderhandeling. Het ideaalbeeld van de strikte grens tussen politiek en ambtenarij is daarmee al lang vervlogen. Sterker nog, politiek en bureaucratie smelten steeds meer samen. Directeuren van ministeries prijken hoog op de kandidatenlijsten van politieke partijen. En bij schaduwverkiezingen in 2010 bleek dat op meerdere ministerie met gemak een coalitie gevormd kon worden van GroenLinks en D66.

Dat lijken grappige feitjes, maar het is veel meer dan dat. Als (top)ambtenaren politiek zo actief zijn, betekent het dat zij een grote rol spelen binnen een partij en tegelijkertijd een regerend minister adviseren. En wanneer het merendeel van de ambtenaren van één politieke kleur is, zullen de adviezen voor de regering dat stempel dragen – ook als de coalitie een totaal andere kleur heeft. Daar zit iets fout. Politieke partijen leveren zo niet alleen een verlanglijst in, ze doen ook zelf de inkopen.

In dat licht deed de PvdA half juni een interessant voorstel. De partij wil dat bij ieder wetsvoorstel inzichtelijk wordt welke invloed lobbyisten hebben uitgeoefend op bewindspersonen. Een goed voorstel, maar volgens mij te beperkt. Lobbys komen niet alleen van buiten. Ze zijn aanwezig tot in de toppen van ministeries, en ook die invloed zou transparant moeten zijn. Dan kunnen we zien wie er aan het organiseren is geslagen om zijn zin te krijgen. Maar het zou zomaar kunnen zijn dat partijen niet zo veel zin hebben om daar al te open over te zijn.