donderdag 26 juni 2014

Betrokken burgers



Verschenen in het Nederlands Dagblad op 25 juni 2014
 
U bent onverschillig, ongemotiveerd en heeft een gebrek aan algemene vaardigheden. Nou ja, u dan misschien niet, maar alle andere burgers wel. Tenminste, als we de wetenschappers en journalisten moeten geloven. Neem bijvoorbeeld het essay dat Kim Putters, directeur van het SCP, vorige week publiceerde. Daarin zegt hij: “zorgtaken worden tot nu toe vooral gedaan door een specifieke groep vrouwen van een jaar of veertig. Veel breder zal dat in de toekomst niet worden. Want de meeste burgers hebben onvoldoende vaardigheden en motivatie om zorgtaken voor een ander uit te voeren.” Dat maakt dat Putters niet zo veel vertrouwen heeft in de participatiesamenleving. 

In zijn pessimisme over burgers staat Kim Putters niet alleen. De Amerikaanse historicus Donald Kegan zei in zijn afscheidsrede van Yale University, vorig jaar besproken in deze krant, bij burgers vooral ‘een culturele leegte, onwetendheid over het verleden en een gevoel van ongeworteldheid en zinloosheid’ aan te treffen. 

Kortom: we zijn van betrokken, zorgzame inwoners veranderd in onverschillige, ongemotiveerde burgers met een gebrek aan vaardigheden. Volgens Kegan is dat de doodsteek voor de westerse democratie in haar huidige vorm – en Putters verwacht daardoor weinig goeds van de participatiesamenleving. Nu schuilt er in die waarschuwingen natuurlijk een kern van waarheid. Ik ben het met Putters eens dat er meer betrokkenheid van burgers wordt verwacht dan realistisch is. Maar ik ben toch niet pessimistisch over de toekomst – de participatie komt volgens mij alleen uit een andere bron dan de overheid verwacht.  

Die bron is volgens mij: sociaal ondernemerschap. Allerlei ondernemers nemen uit eigen beweging verantwoordelijkheid voor de samenleving en gaan taken oppakken die we de afgelopen decennia als het domein van de overheid zijn gaan zien. Ik ken ondernemers die woongemeenschappen voor ouderen initiëren, of grote groepen vrijwilligers weten te mobiliseren om zorgtaken voor buren uit te voeren. Ik ken start-ups die werkloze jongeren helpen te ondernemen. Niet al die plannen zijn succesvol, maar dat is juist goed. Immers: alleen de ideeën die voldoende (financieel) draagvlaak vinden, groeien uit.

Het initiatief verschuift hiermee van overheid naar (kleine) ondernemers. Als die kiem uitgroeit tot een nieuwe moraal, kan dat nieuwe vormen van bestuur afwingen. Een vorm waarin niet langer de overheid mandaat krijgt van de kiezende burgers om beleid te maken, maar een vorm waarin ondernemers die publieke taken uitvoeren hiervoor ruimte en gelegenheid krijgen van de overheid. Daarvoor is het nodig dat de overheid zich gaat inspannen om te zorgen dat het beleid deze sociale bedrijven ondersteunt en niet beknot. De betrokken burger is niet verdwenen, hij heet nu alleen betrokken ondernemer.

woensdag 28 mei 2014

Profit, profit, profit


Gepubliceerd in het Nederlands Dagblad op 28 mei 2014

Ik sprak laatst met een kennis over de invloed van de crisis op zijn carrière. “Het waren zware tijden,” zei hij. “Wie geen werk had, kwam moeilijk aan een baan. Maar voor wie wél een baan had, waren er ook grote kansen. Bedrijven werden gereorganiseerd, gezonder gemaakt. Midden in zo’n traject was er iemand die vertrouwen in mij stelde, me verantwoordelijkheid en ruimte gaf om mijn ideeën uit te werken. Als dat niet was gebeurd, was ik nu geen directeur.” 

Mijn kennis had het over de crisis van de jaren ’80, de tijd waarin hij als twintiger net zijn eerste stappen op de arbeidsmarkt had gezet. Zijn verhalen staan in schril contrast met de ervaringen van de huidige twintigers en dertigers om mij heen. 

Neem het verhaal van een vriend, die in een bedrijf werkt waar al jaren achtereen zorgelijk naar de cijfers wordt getuurd. Steeds moet de omzet hoger, hij moet nog meer doen in minder tijd. Maar de resultaten zijn nooit goed genoeg – en nu moet een serie collega’s vertrekken. “Ik weet niet wat erger is,” zei mijn vriend. “Moeten blijven of moeten gaan. Want de werkdruk is nu al immens, en dan moet het met nóg minder mensen. Dus moeten blijven is evengoed een veroordeling.”

Of de ervaringen van een buurvrouw, die in de zorg werkt. Zij heeft jaar na jaar, naast haar zorgtaken, verbetertrajecten en lange termijn visies ontwikkeld. Maar de uitvoering sneuvelt vaak al binnen enkele maanden - door de eisen van de verzekeraars of door budgettaire aanpassingen vanuit het bestuur. Ideeën voor structurele verbeteringen worden zo wel gegenereerd, maar nooit uitgevoerd.

Hoe kan het dat de crisis van nu aan haar ervaren professionals zo weinig kansen en zo veel frustratie biedt? Hoe kan het dat ik nooit verhalen hoor over vertrouwen, respect of erkenning? Hoe kan het dat zo weinig managers geïnteresseerd zijn in de ideeën die de professionals van nu hebben over hun werk, of in de kansen die zij zien? Laat staan dat er ruimte is om die ideeën te ontplooien en winstgevend te maken.

Nu de reserves teruglopen staren de bedrijfsbesturen zich blind op snel rendement en het halen van targets: profit, profit, profit. Maar “het energieniveau van professionals is een functie van de mogelijkheid zich te identificeren met de waarden van de organisatie,” zegt bedrijfskundige Mathieu Weggemans. En de professionals in mijn omgeving voelen juist steeds minder verbondenheid met de doelen en waarden van hun managers. Zeker niet als die slechts zijn gericht op het verhogen van omzet en rendement. Als gevolg daarvan lekt een grote hoeveelheid kennis, energie en creativiteit weg uit de Nederlandse bedrijven.

Het is belangrijk dat te voorkomen – of te stoppen. Door als bedrijf je medewerkers niet te zien als werkvee, maar gebruik te maken van de ideeën die zij hebben om hun organisaties te verbeteren, duurzamer te werken en hun eigen expertise te ontplooien. De vraag aan alle managers en directieleden is dus: durft u het aan om ze de ruimte te geven? Geeft u hen de kans die u zelf ook ooit kreeg?


donderdag 27 februari 2014

De paradox van (niet) werken


Gepubliceerd in het Nederlands Dagblad op 19 februari 2014.
Een paar weken geleden trok een gerennomeerd adviesbureau voor een project in bij de afdeling waar een vriend van mij werkt. Hij liet me raden hoe lang de werkdagen van die ‘arme consultants’ zijn. Het antwoord: ze werken van 08:00 tot 20:00, en dan thuis nog van 21:00 tot 24:00.  Dat doen ze waarschijnlijk om indruk te maken op hun klanten. Maar uit de verhalen van mijn vriend maakte ik op dat ze het tegenovergestelde effect bereikten: hun klanten vinden ze vooral sneu omdat ze zo lang en zo veel zitten te werken. Want get a life: werk is niet het enige dat ertoe doet.
Dit illustreert een interessante ontwikkeling: we gaan werk minder belangrijk vinden. Een paar jaar geleden was je helemaal de bink als je lange dagen met veel uren maakte. De mensen met de hoogste status (en het hoogste inkomen) hadden bijna altijd een drukke baan en zij – en velen met hen – gingen er prat op het druk te hebben en altijd te werken. Kortom: veel en hard werken leverde status op.
In de decennia dat we hard en veel werkten zo hoog waardeerden kregen de werklozen een steeds lagere status. We associëren werkloosheid (en falen in het algemeen) steeds minder met pech en steeds meer met domheid en luiheid. Dat heeft zo zijn effect op hoe we omgaan met werklozen. De huidige roep om een tegenprestatie van wie bijstand ontvangt komt daar uit voort. Wie een uitkering krijgt moet zich maatschappelijk nuttig gaan maken, bijvoorbeeld door boodschappen te doen voor ouderen. Daar zit een premisse achter die ik behoorlijk gevaarlijk vind: namelijk dat het leven van iemand die werkt meer nut heeft dan het leven van iemand die niet werkt.
Jaren geleden al onderzocht socioloog Paul de Beer deze stelling. Hij toonde aan dat werkenden én werklozen inderdaad meer betekenis en nut toekennen aan betaald werk. Maar gek genoeg komt dat niet doordat werklozen een gebrek aan (nuttige) activiteiten zouden hebben. Het is vooral de maatschappelijke afkeuring die werklozen doet verlangen naar een betaalde baan. Paul de Beer verwoord dat zo: “de belangrijkste reden dat betaald werk voor werklozen en arbeidsongeschikten zo belangrijk is, is simpelweg dat ‘wij’ besloten hebben dat werken voor hen zo belangrijk is.”
Dat levert een paradox op: juist nu we zelf werk minder belangrijk vinden in ons leven, leggen we werklozen een tegenprestatie op omdat ze zich maatschappelijk nuttig moeten maken. Maar de werklozen zelf voelen zich nuttig genoeg – zij willen vooral werken omdat dat de maatschappelijke verwachting is.
Gelukkig kan deze paradox zichzelf oplossen. Want als we werk minder belangrijk gaan vinden, zullen meer mensen genoegen nemen met wat minder inkomen, in ruil voor vrije tijd. Dan schikken alle werkenden een beetje in voor de werkzoekenden. Als we allemaal 3 uur per week minder werken kan volgens Paul de Beer een groot deel van de werklozen in een betaalde baan aan de slag. Dat is dubbel goed nieuws: want dan hebben wij allemaal wat extra tijd over om te ontspannen – of om zelf de boodschappen te doen voor oma.
 


donderdag 9 januari 2014

Armoede

Ook gebubliceerd in het Nederlands Dagbald op 2 januari.

Lang geleden, in een land hier ver vandaan, waren er eens een man en een vrouw. Ze zochten een goede toekomst en kwamen naar Nederland. Maar de werkelijkheid bleek er één van werkloosheid en geldgebrek. Na twee decennia besloten ze: de maat is vol, we gaan terug. Intussen hadden ze een dochter van negentien jaar, die studeerde aan een MBO. “Ik blijf hier,” zei de dochter. “Want ik wil mijn opleiding afmaken.” De ouders roemden dit besluit, en gingen.
Ik interviewde dochter Senna vorige week. “Ik verloor het overzicht,” vertelde ze. “Ik vergat dingen. Mijn ouders dachten dat ze me hadden voorbereid, maar ik had helemaal niet geleerd om voor mezelf te zorgen. En al snel kreeg ik schulden.” Die schulden gingen haar leven beheersen. Ze had van niemand steun te verwachten. Ze stopte met haar opleiding, en na een paar maanden leefde ze op straat.
Het verhaal van Senna staat niet op zichzelf. Volgens het Nibud heeft ruim 1 op de 10 jongeren een grote schuld. Achter dat cijfer gaat een wereld van stress schuil. Want schulden zijn alles overheersend. MBO-studenten met schulden zijn vaker afwezig, besteden weinig aandacht aan school en vallen vaak uit. Hun situatie belemmert hen een toekomst op te bouwen.
Vorige maand verscheen het boek ‘Schaarste’ van psycholoog Eldar Shafir. ‘Schaarste neemt bezit van je geest', zegt hij. Schaarste laat je focussen op je directe gebrek: de rekening die morgen moet worden betaald, het vullen van de borden vanavond. Zo verdwijnt het langetermijnperspectief. ‘Schaarste slokt je op’, zegt Shafir. ‘Je hebt minder aandacht voor dingen die je eigenlijk ook belangrijk vindt.’
Achter de schulden van de meeste jongeren gaat daardoor een wereld van verdriet en problematiek schuil. Van verslagenheid, eenzaamheid en lage zelfwaardering. De jongeren hebben nooit iemand gehad die zei: ‘kom op, jij kunt het’. Ze komen uit gezinnen waarin er nauwelijks ruimte was voor opvoeding en ontwikkeling. Dat is heftig. Zo gaat armoede van generatie naar generatie.
Tegelijkertijd wordt de maatschappij steeds strenger. We moeten goed voor onszelf kunnen zorgen, en liefst ook nog voor onze ouders en buren. We moeten eigen verantwoordelijkheid kunnen dragen, kunnen plannen, administreren, participeren. Wie afhankelijk is van hulp of een uitkering moet daar tegenprestaties tegenover stellen – of er volgen represailles. Maar de werkelijkheid is: één op de tien Nederlanders haalt de gestelde norm niet. Niet uit onkunde of onwil, maar uit onmacht. Omdat ze worden opgeslokt door schaarste.
Senna had geluk – ze kwam in contact met een jongerenwerkster die haar nu begeleidt. Ze woont in een gemeente die alles op alles zet om haar te helpen bij het treffen van een schuldregeling. Ze heeft haar studie weer opgepakt, kan weer ademhalen. Maar persoonlijke ontwikkeling is geen kwestie van een project van zes weken. Senna zal nog heel veel hobbels en drempels tegenkomen. Maar ik vraag me af: als het met Senna straks toch weer misgaat, geven we haar dan een tweede kans of volgen er represailles?
 

vrijdag 29 november 2013

(Don't) avoid news

Na de herfstvakantie startte de klas van mijn dochter (groep 4) met een nieuw thema: ‘de wind’. Terwijl zij leerden hoe de wind dingen in beweging zet woedde elders misschien wel de ergste storm ooit. De kinderen verdiepten zich daarom vorige week in de hoeveelheid water die de slachtoffers dagelijks ter beschikking hebben (bijna niets), en vergeleken dat met ons watergebruik (ruim 126 liter/dag). Dat blies mijn dochter van haar sokkel: ze was diep geraakt door zoveel ongelijkheid.

Soms gebeuren er huiveringwekkende dingen. Op grote schaal, zoals de tyfoon Haijan. Maar ook op kleinere schaal, in onze persoonlijke levens. Ziektes, werkloosheid, onderlinge wreedheid. We zijn soms met stomheid geslagen. Als je het als buitenstaander ziet gebeuren, op een ander continent of bij een kennis, weet je niet altijd wat te doen. Je wilt graag meeleven, maar hoe?

Ik herlas laatst het essay ‘Why you should stay away from news’ van de Zwitserse denker Rolf Dobelli. Hij vindt dat we (te) veel tijd verspillen met het lezen van allerlei nieuwsfeitjes. Volgens Dobelli is het beter die tijd te besteden aan een studie naar meer inzicht in de complexiteit van de wereldproblemen. Als een van de redenen voor dit standpunt noemt hij: het volgen van nieuws heeft te hoge kosten. ‘Op wereldschaal is het verlies aan potentiële productiviteit (door nieuws) enorm’, zegt Dobelli. ‘Neem de terreuraanslagen in Mumbai uit 2008. Stel je dan voor dat een miljard mensen gemiddeld een uur van hun aandacht wijdden aan zo’n tragedie: door het nieuws te volgen, naar een deskundige op televisie te kijken, erover na te denken. Dit is geen wilde gok: alleen al in India wonen meer dan een miljard mensen, waarvan een groot deel het drama live op tv volgde. Dat is samen een miljard uur, oftewel meer dan honderdduizend jaar. De gemiddelde levensverwachting wereldwijd is zo’n 66 jaar. Bijna tweeduizend levens werden dus opgeslokt door nieuwsconsumptie. Dat is veel meer dan het aantal mensen dat in Mumbai werd vermoord’.

In tegenstelling tot Dobelli kan ik me daar als christen niet over opwinden. In tegendeel. Ik vind het een heel troostrijke gedachte. Stel je voor: miljarden mensen besteden nu al wekenlang tijd en aandacht aan de ramp door Haijan. Het zijn ontstellend veel slachtoffers, maar ze zijn in de gedachten van duizenden geweest. We hebben samen misschien wel tienduizenden mensenlevens tijd besteed aan dit nieuws en ons meeleven.

Dat is prachtig. Als wereldburgers gedenken wij zo elkaar en helpen wij elkaars leed te dragen. Dobelli somt de manieren op waarmee mensen hun aandacht aan het nieuws wijden: ‘door het nieuws te volgen, of erover na te denken.’ Ik voeg daar graag aan toe: door te bidden. Met bijna 2 miljard gelovigen is het Christendom ook in dit perspectief een machtige godsdienst. Daarom: volg het nieuws. Lees wat je lezen kan over Syrië, de Filippijnen, Egypte. Gedenk oorlogen en natuurrampen. En bid voor de slachtoffers en nabestaanden. Want als we blijven meebeleven, blijven we steunen en troosten.

donderdag 21 november 2013

Over seks e.d. - openheid in de gemeente



Veel christenen missen een elementaire vaardigheid om een tegentijdse seksuele moraal vast te houden: openheid. Wat het zeker niet makkelijker maakt is de radicale toon van christenen over seks en relaties. 

In haar documentaire Sletvrees – en in het gelijknamige boek – stelt Sunny Bergman ‘het laatste seksuele taboe’ aan de kaak: dat we mannen cool vinden als ze met veel vrouwen het bed delen, terwijl we vrouwen die dat met veel mannen doen, sletten noemen.

Ik zag de documentaire afgelopen donderdag. De dag erop stond een interview met Bergman in het Nederlands Dagblad (15 november). Daarin toonde zij zich vooral een feministe. Ze benadrukte dat ze geen vooral geen hedonistische levensstijl propageert, maar dat ze ongelijkheid tussen mannen en vrouwen wil aanvechten. Mannen kunnen zorgeloos onenightstands hebben, terwijl vrouwen die dat doen, zich zorgen moeten maken om hun reputatie; dat is volgens Bergman niet eerlijk.

Een week eerder viel bij ons thuis een themanummer van het Volkskrant Magazine op de mat, helemaal gewijd aan Sletvrees. Mijn man vond dat een reden om de Volkskrant op te zeggen; ik vond het eerder een bewaarnummer.

Het was samengesteld als een feestnummer waarin seksuele vrijheden werden toegejuicht. Het magazine las daardoor als een bloemlezing van meningen en opinies rondom de moderne seksuele moraal. Sunny Bergman toonde zich in dit themanummer een stuk uitgesprokener dan in het ND: ‘Het idee dat vrouwen liefde en seks niet kunnen scheiden, daar geloof ik niet in. Als de seks fijn is, kun je er best liefdesgevoelens bij hebben. Maar dat hoeft niet per se en het hoeft ook niet meteen heel zwaar te zijn, niet gekoppeld aan een belofte.

In de documentaire zelf lopen het feminisme en activisme nogal door elkaar. Bergman haalt diverse wetenschappers in beeld om aan te tonen dat het niet de biologie is, maar dat het onze culturele verwachtingspatronen zijn die verschillen in seksuele beleving tussen mannen en vrouwen veroorzaken. Maar in de film klinkt ook een veel radicaler geluid door: dat we niet te preuts moeten doen over mensen die (heel) veel seksuele partners hebben. Deze tweede, minstens zo belangrijke boodschap blijft in het ND-interview een beetje tussen de regels hangen. De seculiere Volkskrant maakt deze boodschap juist heel expliciet: ‘Seks hoor je te doen. Je bent gek als je het niet doet, je bent helemaal gek als je het in je leven maar met één persoon zou proberen. Waarom zou je? Alles kan en mag! Dan ga je je toch niet beperken?’

In haar gedrevenheid het taboe rond seksueel actieve vrouwen te doorbreken schept Bergman zo het volgende taboe: het leiden van een monogaam seksleven. Ik vind dat een heftige ontwikkeling en maak me er zorgen over. Want steeds meer mensen vinden je – net als Sunny Bergman – niet helemaal sporen als je seks verbindt aan een belofte, of wanneer je levenslang trouw bent aan één persoon. De christelijke seksuele moraal wordt dus steeds minder geaccepteerd en zelfs als bespottelijk weggezet. Dat weglachen van monogamie raakt aan de kern van onze christelijke waarden. Als de documentaire van Bergman voor mij iets illustreert, dan is het dit: we hebben als christenen een heel erg tegentijdse moraal vol te houden.

Het is niet voor het eerst in de geschiedenis dat de christelijke kerk voor die uitdaging staat. Onlangs hoorde ik een lezing van Robert Doornenbal, die duidelijke parallellen trekt tussen de huidige cultuur en de omgeving waarin de vroegchristelijke gemeenten uit de tijd van het Nieuwe Testament zich staande moesten houden. Ook deze gemeenten leefden in een tijd van materialisme, vreemdelingenhaat en seksuele uitspattingen. Zij stonden bekend om hun tegentijdse moraal: deze gemeenten kozen voor het delen van geld en goed, voor gastvrijheid en voor monogamie. Doornenbal stelt dat we ook nu in een wereld leven waarin het christelijk geloof in de marge is verdreven en niet langer de centrale cultuur is. Daarin moeten we opnieuw zoeken naar een eigen positie en een onderscheidende identiteit. Dat gaat vaak tegen de stroom in.

Ik zie onze kansen om daarin te slagen somber in, omdat de gemeenten van nu volgens mij de elementaire vaardigheid missen die nodig is om die moraal vol te houden: openheid. In de meeste christelijke gemeenten, in de meeste christelijke media en thuis in onze gezinnen weten we helemaal niet zo goed hoe we open kunnen spreken, laat staan over seksualiteit. Christelijke reflecties op seksualiteit vervallen vaak in oproepen tot radicale keuzes of waarschuwingen tegen porno en verleiding. Seksualiteit wordt vaak aangekaart op een directieve manier, waarbij er weinig ruimte is voor discussie en gesprek. Jan Willem Veenhof noemde dat afgelopen augustus in het Nederlands Dagblad ‘eenrichtingsverkeer’: “We zijn heel goed in het plaatsen van verkeersborden bij dat eenrichtingsverkeer, variërend van ‘stopborden’ (‘geen porno kijken’), via ‘verboden om te draaien’-borden (‘niet terugvallen’) tot borden die de verplichte rijrichting aanwijzen, als op een rotonde (‘alleen zó word je zoals God je bedoeld heeft’).” In mijn eigen pubertijd ontstond er zo’n radicale stroming rond het boek Ongekust en toch geen kikker. Hoewel de auteur van het boek wilde oproepen tot gesprekken over seksualiteit en relaties, vormde zijn boek het begin van een beweging waarin dat gesprek vaak beperkt bleef tot oproepen. ‘Maak een keuze! Doe dit ook!’.

Die radicale toon maakt het niet makkelijker om open en persoonlijk te praten over relaties. Sterker nog, het maakt een gesprek over seksualiteit vanuit het geloof al snel moraliserend – en daardoor afstandelijk. Gesprekken blijven daardoor erg aan de oppervlakte. Ze draaien uit op het herhalen van sociaal wenselijke stellingen en antwoorden, maar gaan niet over diepere drijfveren of emoties – laat staan over echt gevoeld berouw, verdriet of twijfels. In zekere zin plaatst zo’n oproep tot radicaliteit de seksuele beleving dus net zo goed buiten de geloofsbeleving.

Door die afstandelijkheid lijkt de manier waarop we in de kerk seks bespreken gek genoeg erg op de manier waarop Sunny Bergman haar kijkers door de documentaire loodst. Hoewel seks een van de intiemste onderwerpen is, is er ook in haar film vrijwel geen ruimte voor emoties. Sletvrees bevatte maar één scene die mij echt raakte: het moment waarop een meisje in tranen uitbarst tijdens een workshop ‘Ontdek je innerlijke slet’. Ze staat daar, heftig opgemaakt en uitgedost in sexy ondergoed, en snikt tegen haar medecursisten: ‘Jullie zijn zo mooi, maar ik voel me zo lelijk. Niemand wil mij.’

In het ontwapenende verdriet van dit hoerig opgedirkte meisje herkende ik mijn eigen diepe onzekerheid als tienermeisje. En die gevoelens zijn voor veel meer mensen herkenbaar. Het laat zien dat seksualiteit nauw samenhangt met diepere waarden als zelfwaardering, vertrouwen in anderen, het besef gekend en geliefd te zijn. Ik denk dat ons onvermogen om open over seksualiteit te praten samenhangt met het gebrek aan echt contact dat er binnen veel gemeenten is over deze diepere waarden.

Als u nu denkt dat het wel meevalt, daag ik u uit eens na te denken over de volgende voorbeelden. Zo’n 5-10% van alle Nederlanders heeft homoseksuele gevoelens. Waarschijnlijk dus ook in uw gemeente. Hoe vaak wordt er in uw kerk voor hen gebeden? En er is heel wat christelijke beeldspraak die illustreert hoe waardevol het is om seks binnen het huwelijk te houden. Maar hoe behulpzaam zijn onze voorbeelden voor het stel dat (nog) niet getrouwd is, of voor twee partners bij wie het vuur in de eigen relatie al jaren gedoofd is? Wie praat daar open over in de kerk, in een vertrouwde Bijbelstudiegroep of zelfs met eigen vrienden of familie? 
Voor mij zijn dit retorische vragen. Het antwoord: veel te weinig. Dat heb ik de afgelopen jaren zelf meer dan eens ervaren, bijvoorbeeld toen ik als vierdejaars student ongepland zwanger werd – voordat we getrouwd waren. Dat kun je niet verstoppen. Juist daardoor werd ik een aanspreekpunt voor jonge vrouwen die met mij deelden hoe ze worstelden met seks voor het huwelijk in de relatie met hun vriend. Want wat als je het al hebt gedaan, maar die grens toch weer terug over wilt steken? Bij wie kun je dan raad vragen? En bij wie in je gemeente kun je terecht als je als meisje of jongen een ballast meezeult van ongewenste seksuele intimiteiten? Of wanneer je een misstap hebt begaan en behoefte hebt aan een open gesprek over wat er is gebeurd?

Ik denk niet dat het verstandig is om dergelijke vragen in één keer op uw volgende kringavond op tafel te leggen. Onderlinge openheid heeft vertrouwen nodig, en dat moet groeien. Maar dat groeien begint met praten, delen, met echt contact. En u en ik kunnen wel besluiten om daar vanaf nu mee te beginnen. Breng, binnen en buiten de gemeente,  gesprekken op gang over geloof, relaties en seksualiteit – en wees daarin zelf ook bereid tot een eerlijke openheid. Stel eens een echt geinteresseerde vraag aan het tienermeisje voor u in de kerkbanken, of aan het pas gescheiden gemeentelid. En vooral: luister naar hun antwoorden. 

 

donderdag 24 oktober 2013

Perspectiefspagaat

Dit artikel is op 23 oktober 2013 verschenen in het Nederlands Dagblad.

Heeft u (binnenkort) herfstvakantie? Bezoek dan eens de expositie Escher in het Paleis, in Den Haag. Zijn optische illusies zijn bekend, maar blijven intrigerend. U denkt dat iets rond is, maar het blijkt vlak. Bij Escher lijken dingen soms veraf, maar zijn tegelijkertijd dichtbij: een perspectiefspagaat.

Dat is vooral een leerzame oefening voor ambtenaren, want zij zullen de komende jaren ook moeten toveren met perspectief. De overheid wil immers naar 'veraf'. Bijna elke beleidsnotitie gaat over 'burgerkracht', 'eigen draagvermogen' en 'eigen verantwoordelijkheid'. Het beeld van de overheid als hulpverlener verdwijnt rap naar de achtergrond. De focus verschuift van curatief beleid – schuldhulpverlening ná het ontstaan van schulden, uitkeringen verstrekken ná werkloosheid – naar preventief beleid. Om dat te realiseren komt de overheid – paradoxaal genoeg – steeds ‘dichterbij’. Hoe is dat zo gekomen?

De terugtrekkende beweging van de overheid gaat vaak gepaard met 'kortingen' op budgetten. Om met deze schaarsere middelen uit te komen maken gemeenten de (verstandige) keuze in te zetten op preventie. Zo geven gemeenten budgetcursussen aan financieel kwetsbare huishoudens, om de noodzaak van dure schuldhulpverlening te voorkomen. En tieners worden bij hun studiekeuze uitgebreid geïnformeerd over arbeidsmarktkansen, om te voorkomen dat scholen opleiden tot werkloosheid.

Maar kennis is niet alles. We gaan niet ineens verstandige keuzes maken als we goed geïnformeerd zijn. In onze keuzeprocessen speelt meer mee. Zo zijn we sterk georiënteerd op het hier en nu: we bezwijken makkelijker voor de verleiding iedere dag iets kleins te kopen (zoals een ijsje) dan dat we sparen voor een dagje weg (bijvoorbeeld naar een expositie). En we zijn in onze keuzes overgevoelig voor levendige en concrete informatie. De grapjes die tijdens de presentatie van een opleiding worden gemaakt kunnen daardoor voor aankomend studenten zwaarder wegen dan de kennis over arbeidsmarktkansen.

Dat onbewuste gedragsprocessen een grote rol spelen is ook bij de overheid geland. Preventieve maatregelen houden daar steeds vaker rekening mee, bijvoorbeeld door de budgetcursussen te geven voor meer homogene groepen, zodat er een groepsdruk ontstaat. En wat vinden we er eigenlijk van wanneer de overheid veranderingen in onze persoonlijke situatie (verhuizing, ziekte, nieuw werk) gaat aangrijpen om ons nieuwe gewoonten voor te stellen? Dat kan wel erg 'dichtbij' komen. Waren burgers niet juist zelf verantwoordelijk? Zie hier de perspectiefspagaat.

De vraag is dus: hoe dichtbij mag de overheid komen zodat de overheid zich kan terugtrekken? Het vangnet moet smaller, maar hoe ver mag de overheid gaan om die besparing te realiseren? Het antwoord daarop heb ik nog niet gevonden. Misschien vindt u het antwoord als u Escher gaat bekijken in het Paleis. Want zelfs al moet je bij Escher soms een trap afdalen om omhoog te klimmen – in zijn tekeningen staat alles wel in een logisch verband.