donderdag 24 oktober 2013

Perspectiefspagaat

Dit artikel is op 23 oktober 2013 verschenen in het Nederlands Dagblad.

Heeft u (binnenkort) herfstvakantie? Bezoek dan eens de expositie Escher in het Paleis, in Den Haag. Zijn optische illusies zijn bekend, maar blijven intrigerend. U denkt dat iets rond is, maar het blijkt vlak. Bij Escher lijken dingen soms veraf, maar zijn tegelijkertijd dichtbij: een perspectiefspagaat.

Dat is vooral een leerzame oefening voor ambtenaren, want zij zullen de komende jaren ook moeten toveren met perspectief. De overheid wil immers naar 'veraf'. Bijna elke beleidsnotitie gaat over 'burgerkracht', 'eigen draagvermogen' en 'eigen verantwoordelijkheid'. Het beeld van de overheid als hulpverlener verdwijnt rap naar de achtergrond. De focus verschuift van curatief beleid – schuldhulpverlening ná het ontstaan van schulden, uitkeringen verstrekken ná werkloosheid – naar preventief beleid. Om dat te realiseren komt de overheid – paradoxaal genoeg – steeds ‘dichterbij’. Hoe is dat zo gekomen?

De terugtrekkende beweging van de overheid gaat vaak gepaard met 'kortingen' op budgetten. Om met deze schaarsere middelen uit te komen maken gemeenten de (verstandige) keuze in te zetten op preventie. Zo geven gemeenten budgetcursussen aan financieel kwetsbare huishoudens, om de noodzaak van dure schuldhulpverlening te voorkomen. En tieners worden bij hun studiekeuze uitgebreid geïnformeerd over arbeidsmarktkansen, om te voorkomen dat scholen opleiden tot werkloosheid.

Maar kennis is niet alles. We gaan niet ineens verstandige keuzes maken als we goed geïnformeerd zijn. In onze keuzeprocessen speelt meer mee. Zo zijn we sterk georiënteerd op het hier en nu: we bezwijken makkelijker voor de verleiding iedere dag iets kleins te kopen (zoals een ijsje) dan dat we sparen voor een dagje weg (bijvoorbeeld naar een expositie). En we zijn in onze keuzes overgevoelig voor levendige en concrete informatie. De grapjes die tijdens de presentatie van een opleiding worden gemaakt kunnen daardoor voor aankomend studenten zwaarder wegen dan de kennis over arbeidsmarktkansen.

Dat onbewuste gedragsprocessen een grote rol spelen is ook bij de overheid geland. Preventieve maatregelen houden daar steeds vaker rekening mee, bijvoorbeeld door de budgetcursussen te geven voor meer homogene groepen, zodat er een groepsdruk ontstaat. En wat vinden we er eigenlijk van wanneer de overheid veranderingen in onze persoonlijke situatie (verhuizing, ziekte, nieuw werk) gaat aangrijpen om ons nieuwe gewoonten voor te stellen? Dat kan wel erg 'dichtbij' komen. Waren burgers niet juist zelf verantwoordelijk? Zie hier de perspectiefspagaat.

De vraag is dus: hoe dichtbij mag de overheid komen zodat de overheid zich kan terugtrekken? Het vangnet moet smaller, maar hoe ver mag de overheid gaan om die besparing te realiseren? Het antwoord daarop heb ik nog niet gevonden. Misschien vindt u het antwoord als u Escher gaat bekijken in het Paleis. Want zelfs al moet je bij Escher soms een trap afdalen om omhoog te klimmen – in zijn tekeningen staat alles wel in een logisch verband.



woensdag 25 september 2013

Supermarktfatsoen

Dit artikel is op 25 september 2013 verschenen in het Nederlands Dagblad.
Verantwoordelijkheidsgevoel begint meestal in de supermarkt. Op de broodafdeling, in mijn geval. Want daar had ik mijn eerste baantje. Daar merkte ik iets eenvoudigs: als ik niet op tijd aanwezig was om het brood te snijden bleven de schappen leeg. Zo leerde ik het belang van op tijd zijn, klantvriendelijkheid en het vervullen van vaste taken. Gewoon goed gedrag in je dagelijkse werk. Ook wel genoemd: fatsoen.

We hebben een zomer achter de rug vol onfatsoenlijkheid. Bestuurders van stichtingen en onderwijsinstellingen bleken tonnen te incasseren. En in de zorg volgde het ene faillissement door wanbestuur (Maevita) op het volgende bijna-faillissement (Philadelphia). Wat is de  oorzaak?

In managementjargon zijn termen als 'fatsoen' en 'moraal' smerige woorden geworden. Ze worden gezien als suffige deugden van vroeger, net als matigheid, punctualiteit en geloof. Waarden die niet passen bij de hang naar vernieuwing en innovatie die leidinggevenden tijdens bijscholingsdagen voortdurend krijgen ingepeperd. Sterker nog, Yoeri Albrecht geeft morgenavond een lezing in de Balie met als titel “controle en fatsoen zijn de vijand van vooruitgang.” Want “nieuwe ideeën kunnen alleen ontstaan waar vrijheid van gedachten en meningsuiting heerst. En zonder nieuwe ideeën is de samenleving gedoemd te verstenen en te verarmen.”

Albrecht vat hiermee een geloof in innovatie en vooruitgang samen dat veel bedrijven, instellingen en overheden in een nare klem houdt. We moeten allemaal voortdurend vrij denken, verbeteren en innoveren. Gewoon je werk doen is maar beperkend en laat de samenleving verarmen. Zorgvuldig je werk doen is zelfs fataal voor onze toekomst.

Dat dergelijke opvattingen na vijf jaar crisis de wereld nog niet uit zijn is schrijnend. Volgens innovatiespecialist Wichert van Engelen moeten organisaties juist 99% van hun energie inzetten op het gewone proces. Dan voeren ze hun kerntaken gewoon goed uit. Daarnaast komt innovatie, om klaar te zijn voor veranderingen. Wie die balans omdraait verliest de werkelijkheid uit het oog. Dat is precies wat bij veel wanbestuurders is gebeurd. De oorzaak van bestuurlijk falen en de extreme uitspattingen bij woningcorporaties, scholen en zorginstellingen? Er is te vaak en te veel ‘out of the box’ gedacht.  

Om bestuurders weer te leren hoe ze fatsoenlijk leiding moeten geven, trekt de overheid allerlei commissies uit de kast. Minister Schippers kondigde vorige week aan kwaliteitseisen te gaan opstellen waar bestuurders in de zorg aan moeten voldoen. En voor 1 oktober presenteert de commissie Halsema haar gedragscode voor behoorlijk bestuur in de semipublieke sector.

Het zegt wat dat de bestuurdersgeneratie van nu dergelijke regeltjes nodig heeft. Wie weet zijn de eisen van Schippers en de code van Halsema een afdoende remedie. Maar elke bestuurder die zo'n code nodig heeft om fatsoen te leren, kan volgens mij beter op stage gestuurd worden naar de supermarkt. Voor de meeste bestuurders is dát pas echt vernieuwing.
 
 

vrijdag 13 september 2013

De gemeente: spil van het sociaal domein

Dit artikel heeft de schrijfwedstrijd gewonnen van de jubileumeditie van Sociaal Bestek (september 2013). Ik schreef het, in samenwerking met Suzanne de Visser, Susan van Klaveren, Betty Noordhuizen.

Vandaag is ons nieuwe gemeentehuis geopend. Een bijzondere mijlpaal. Vooral omdat het nieuwe pand totaal anders is dan het oude pand, dat duidelijk gebouwd was in de jaren ’10, toen gemeenten nog een omvangrijk takenpakket hadden. Het oude pand staat op een plek die toen prominent was – langs het spoor, vlakbij de binnenstad – en straalt uit dat het ’t centrum wil zijn van ontwikkelingen in de gemeente. Alleen de begane grond was openbaar toegankelijk, beveiliging beschermde vele hardwerkende ambtenaren.

Het nieuwe pand is het tegenovergestelde: het is een klein en bescheiden pand, en het bestaat voornamelijk uit flexplekken waar de buurtondernemers kunnen werken. Dat bevestigt de maatschappelijke ontwikkelingen van de laatste drie decennia. Het is intussen zo gewoon geworden dat we niet anders meer weten, maar de manier waarop publieke taken werden uitgevoerd was dertig jaar geleden, met de opening van het vorige gemeentehuis, totaal anders.

Midden in de tienjarige recessie, in 2013, heerste er in de publieke opinie een sombere stemming. De kosten voor de verzorgingsstaat liepen hoog op. Taken werden van de overheid afgewenteld op ‘onderlinge zelfredzaamheid’ van burgers.[1] Zowel de landelijke overheid als gemeenten deden een zwaar beroep op de solidariteit van burgers. De Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling was in 2013 een van de eerste organisaties die toekomstmuziek hoorde. “Overheden hebben het vormgeven van solidariteit langzaam van de samenleving overgenomen. (…) Maar ook de samenleving kan instituties voortbrengen die deze (…) dilemma’s kanaliseren.”[2] Precies dat laatste gebeurde ook – maar op heel onverwachte wijze. In 2013 verwachtte men nog veel van de solidariteit van burgers. De kiem van ons huidige zorgsysteem werd echter niet gelegd door burgers, maar door (sociaal) ondernemers, die steeds vaker taken oppakten die tot dan toe als het domein van de overheid werden gezien. Dat bracht een nieuwe vorm van democratie: wie een idee heeft dat gedragen wordt door de lokale gemeenschap, kan daarmee aan de slag. Deze nieuwe moraal heeft geleid tot een staatsvorm waarin niet langer de overheid mandaat krijgt van de kiezende burgers om beleid te maken, maar tot een vorm waarin ondernemers die publieke taken uitvoeren daarvoor ruimte en gelegenheid krijgen van de overheid.

Om goed te begrijpen hoe solidariteit nu wordt georganiseerd, hebben we een afspraak met Martine van Ommeren (53), op één van de flexplekken in het nieuwe gemeentehuis. Zij bedacht 20 jaar het idee van de buurtcoördinator, dat inmiddels in alle 100 gemeenten in Nederland wordt toegepast. “Op dit moment wordt aan 95% van alle zorgvraag voldaan door particulieren die direct zorg uitruilen, of door sociaal ondernemers die met hun bedrijf een deel van de zorgbehoefte vervullen.” Het is wel belangrijk om het begrip ‘zorg’ hier goed te verstaan, benadrukt Martine: “Het gaat hier niet om medische zorg, of andere écht zware zorg. Maar bijna alles wat in de jaren ’10 nog ‘Wmo-zorg’ werd genoemd, valt nu onder mij als buurtcoördinator. En breder dan dat: elke wijkbewoner met een ondersteuningsvraag kan zich bij mij melden. Of het nu gaat om verzorging, huishouden, administratie of hulp bij de kinderen.”

De buurtcoördinator heeft de verantwoordelijkheid vraag en aanbod op elkaar af te stemmen. “Dat noem ik mijn makelaarsfunctie. Maar ik regel ook veel administratieve zaken, zorg voor de afstemming met andere buurten en ik ben aanspreekpunt voor de sociaal ondernemers die in de buurt actief zijn.” Dat is alles bij elkaar een flink takenpakket, vertelt Martine. “Ik werk twee dagen per week vanuit huis, waar de buurtbewoners bij me kunnen aankloppen. De andere twee dagen werk ik op een flexplek in het gemeentehuis, waar ik de activiteiten afstem met de andere buurtondernemers. Op het gemeentehuis zitten nog twee ambtenaren. Die kunnen alle nodige voorzieningen regelen. Daardoor worden alleen die dingen geregeld die voor iedereen nodig zijn. Heel democratisch! En ja, ik doe mijn werk natuurlijk niet voor niets. Wie zorg ontvangt betaalt in elk geval een kleine bijdrage, een coördinatie-fee. Wanneer je tegenprestatie even ‘zwaar’ telt als dat wat je ontvangt, is je zorg verder vrijwel gratis. Door dit principe van wederkerigheid en het wegvallen van alle gemeentelijke bureaucratie is het allemaal véél goedkoper geworden. Nu zo gewoon, maar 30 jaar geleden nog totaal ondenkbaar.”

Martine stelt ons voor aan een aantal zorgvragers en –aanbieders uit haar netwerk. Zo is er Betty (33), moeder van Lena (4). Betty vertelt: “Ik heb een drukke tijd achter de rug: een peuter thuis terwijl ik naast mijn fulltime baan mijn MBA haalde. Sinds een half jaar gaat Lena naar school. Dertig jaar geleden zou dat het begin zijn van een nóg drukkere periode: je kind op tijd brengen en de juffen en meesters ondersteunen bij activiteiten voor de school. Nu was een bezoekje aan de buurtondernemer voldoende om me die zorg uit handen te nemen. Het halen en brengen van Lena en de extra taken op school worden voor mij geregeld. Dat gebeurt nu door een oudere mevrouw, die vond dat ze eenzaam werd en daarom een activiteit zocht om haar dag mee te vullen. Die mevrouw geniet er erg van en Lena is dol op haar. Ik ben er ook blij mee, want Lena krijgt van haar ‘bonus-oma’ toch weer een andere kijk op het leven mee dan van mij of haar juf op school. Voor de inzet van onze bonus-oma betaal ik de coördinator een financiële bijdrage. Die is heel schappelijk, omdat ik me op mijn beurt een avond in de week inzet om mensen met problematische schulden te helpen bij hun administratie. Hartstikke goed geregeld!”

Een van de sociaal ondernemers in Martines buurt is Suzanne de Visser (50). “Ik heb jarenlang gewerkt als verpleegkundige. Tot ik tien jaar geleden een ongeluk kreeg, waardoor ik niet meer lang kan staan. Gelukkig gebeurde dat in 2025, en niet in 2015! Het is nog maar twintig jaar geleden dat ik ‘arbeidsongeschikt’ verklaard zou zijn. Nu ben ik alles behalve afgeschreven. Toen ik met mijn situatie bij de buurtcoördinator aanklopte, zag zij gelijk allerlei mogelijkheden. Ik heb nu een bedrijfje als lokale zorgaanbieder. Ik verleen allerlei zorg in de wijk: van steunkousen aantrekken en injecties geven tot de verpleegkundige nazorg van patiënten die net uit het ziekenhuis zijn ontslagen. Ik ben ook stageopleider voor studenten van het HBO en het MBO die de zorg in willen. Ik ben dus de verlengde arm van het ziekenhuis, zogezegd. Dat spaart het ziekenhuis geld uit, en ik verdien zo toch nog een goed inkomen. Gelukkig regelde de buurtcoördinator voor mij een scootmobiel, zodat ik overal kan komen.”

Ook mevrouw van Klaveren (82) is positief. “Ik weet nog dat mijn moeder dertig jaar geleden soms wel twee uur moest wachten op de thuishulp. Dan was ze om 10 uur nog niet aangekleed. Nu is dat wel anders. Mijn hulp komt uit de buurt, en kan er dus ’s ochtends vroeg al zijn. Dat is fijn, want ik ben nog heel actief. Met een groep vriendinnen help ik tegen een kleine vergoeding de leidsters van een kinderdagverblijf. We assisteren bij het knutselen of lezen voor. De buurtcoördinator die mijn thuishulp regelde, dacht dat dit wel wat voor mij was. Gelijk heeft ze! Zo blijf ik tenminste volop betrokken bij het leven in de buurt. Dertig jaar geleden zou ik als oudere met medische zorgindicatie achter de geraniums zijn beland. En van de vergoeding die ik verdien betaal ik de thuishulp en mijn wekelijkse lessen ‘bewegen voor ouderen’. Dat is altijd zo gezellig en het houdt me nog fit ook!”

Uit deze voorbeelden blijkt al dat een buurtcoördinator meer is dan alleen een zorgmakelaar. Martine: “Ik moet weten wat er speelt in de wijk, wat er nodig is en welke vragen en diensten slim aan elkaar verbonden kunnen worden. Soms is het voldoende particulieren aan elkaar te koppelen, maar als de zorgbehoefte groter is kan het slimmer zijn iemand te stimuleren hiervoor een bedrijf te beginnen. De resultaten zijn verbluffend. Deze manier van werken brengt meer cohesie in de wijk, levert meer maatschappelijke participatie van burgers op én geeft veel goedkopere zorg dan voorheen, zo blijkt uit recent evaluatieonderzoek van Panteia.”



[1] Drenth, B. e.a. (2013). Rondje voor de publieke zaak. Pleidooi voor de solidaire ervaring. Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling, Den Haag.
[2]Idem.

donderdag 29 augustus 2013

Soort bij soort

Dit artikel is op 28 augustus 2013 verschenen in het Nederlands Dagblad.

Dit voorjaar liep mijn dochter voor het eerst de jeugdavondvierdaagse. Ik stond langs de kant, er trokken tientallen scholen in defilé voorbij. Of het nu lag aan de liedjes en leuzen die werden gezongen, of aan de kleding van de kinderen, of aan het aantal ouders dat tijdens het meelopen een sigaretje opstak – ik begreep ineens het spreekwoord 'soort zoekt soort'. Ik zag arbeidersscholen, zwarte scholen, yuppenscholen en janmodaalscholen – maar nergens een lekker goed geintegreerde mix.
 
Soort mag weer bij soort. De vorige minister van onderwijs, Marja van Bijsterveld, maakte daar al geen geheim van. 'Zwarte scholen zijn een feit,' zei ze al in 2011. 'Het gaat om de kwaliteit van het onderwijs. Of een school dan wit of zwart is, is minder belangrijk.' 

Daar heeft ze wel gelijk in. Segregatie met mate is geen ramp – en het is bovendien niet te voorkomen. Want ouders kiezen voor een school waarbij ze zichzelf herkennen in het publiek, zo bleek uit onderzoek van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling. Zien hoogopgeleide ouders teveel mensen in een joggingbroek op het schoolplein staan, dan fietsen ze een schooltje verder. Arbeidersgezinnen en allochtone families bleken precies hetzelfde te doen. Kortom: enige segregatie kiezen we zelf. Toch is die segregatie wel gevaarlijk, waarschuwde de socioloog Michael Young al in 1958. Hij was bang voor een samenleving waarin kinderen van hoger en lager opgeleiden volstrekt gescheiden opgroeien. Volgens Young kan dat alleen maar leiden tot opstand en onrust.

Segregatie stimuleren is dus allerminst verstandig. En toch is dat precies wat Sander Dekker, de huidige staatssecretaris, doet. Hij gebruikt daarvoor twee voorstellen. Allereerst moedigt hij de komst aan van ICT-scholen en 'excellente' scholen. Daarnaast wil hij tweetalig onderwijs op basisscholen bevorderen. En dan doelt hij niet op Marokkaans-Nederlands of Farsi-Nederlands. Nee: Dekker pleit voor een grootschalige invoering van het Engels, vanaf de onderbouw.

Ik denk dat de staatssecretaris niet zo vaak bij een arbeidersschool is langsgeweest, laat staan bij een zwarte school. Want na één bezoek had hij de keerzijde van zijn plan ingezien. De kleuters die hier in groep 1 instromen beheersen het Nederlands maar matig. Deze scholen zullen dus hun handen vol hebben aan het ondersteunen van de leerlingen die een achterstand in het Nederlands moeten wegwerken. De kwaliteit van het onderwijs, waar van Bijsterveld in 2011 nog zo op hamerde, wordt nu door Dekkers plannen juist ongelijk verdeeld. De extra's – zoals ICT, 'excellentie' en Engels – worden voorbehouden aan de elite-scholen.

Welke scholen dat zijn, dat was afgelopen lente tijdens deze avondvierdaagse al scherp zichtbaar. Maar als Dekker zijn zin krijgt is dat over tien jaar nog versterkt. Dan kent de helft van de leerlingen het spreekwoord 'soort zoekt soort' niet eens, terwijl de andere helft liedjes zingt over 'Birds of a feather flock together'.
 
 
 

vrijdag 26 juli 2013

Even bellen

Dit artikel is eerder gepubliceerd in het Nederlands Dagblad.

‘Meneer Jansen is 82 jaar en heeft nauwelijks nog familie. Alleen zijn vriend Piet komt dagelijks langs. Meneer Jansen heeft de hulp van Piet nodig: die doet de boodschappen en beheert het huishoudgeld. Er is alleen nooit genoeg eten en kleding in huis. En er verdwijnen regelmatig waardevolle spullen.’
 
Dit is slechts één voorbeeld van oudenmishandeling. Het maakt meteen duidelijk hoe schrijnend dit onderwerp is. Pijnlijk, en onacceptabel. Daar was staatssecretaris van Rijn (VWS) het vorige maand, bij de lancering van de landelijke campagne tegen ouderenmishandeling, helemaal mee eens. ‘We moeten de taboesfeer doorbreken. (…) We moeten er samen voor zorgen dat onze ouderen zich veilig voelen en veilig zijn,’ zei de staatssecretaris. Daar kan niemand het mee oneens zijn. Volkomen terecht, dus, dat de staatssecretaris ook in deze tijden van crisis budget uittrekt om deze zaak eens goed onder de aandacht te brengen. Hoewel? Wat gebeurt er nu eigenlijk?
 
Terwijl de staatssecretaris met de campagne tegen ouderenmishandeling opende, werd er op zijn ministerie hard gewerkt aan ‘de decentralisaties’ in de zorg. Dat betekent nogal wat voor ouderen. Ten eerste worden gemeenten verantwoordelijk voor de begeleiding en ondersteuning aan ouderen die nog thuis wonen. Voor alle (thuis)zorg die deze ouderen nodig hebben, moeten ze dus gaan aankloppen bij de gemeente. Tegelijkertijd is besloten tot ‘extramuralisering’ van de (ouderen)zorg. Die prachtige term betekent dat ouderen minder snel in een verzorgingshuis mogen gaan wonen, maar dat meer ouderen met een zorgbehoefte langer thuis geholpen moeten worden. De gemeente mag dat regelen, en omdat de gemeente zo dichtbij de burger staat kunnen ze dat – volgens het kabinet – voor miljarden minder.
 
Gelukkig heeft het rijk ook nog tips voor gemeenten, over hoe ze voor al die ouderen al die zorg moeten regelen. Uit het tipboek: “Als een burger aanspraak wil maken op een collectieve voorziening, kan de ambtenaar vragen: wat kan u zelf doen, en hoe kan u uw sociale netwerk aanspreken?” Kortom: er komen meer ouderen, met meer zorgvraag, die langer thuis blijven wonen – en dat gaan we oplossen met mantelzorgers en thuiszorgmedewerkers, die meer moeten doen met minder.

Nu blijkt de overbelaste (mantel)zorger één van de voornaamste oorzaken te zijn van ouderenmishandeling. Degene die steelt uit de portemonnee van oma is vaak de dochter die haar hoofd financieel nauwelijks boven water kan houden, en die door alle zorgtaken geen extra uren kan gaan werken. En de man die al dagen alleen ligt blijkt een zoon te hebben die het niet meer kan volhouden om zijn vader te verzorgen. Gelukkig is er dan nu goed nieuws: als iemand de radio even aanzet, kunnen deze oma’s en opa’s wel luisteren naar de campagne van de staatssecretaris. Dan weet opa in elk geval welk nummer hij kan bellen om te melden dat zijn zoon de zorg niet meer aan kan.


 

woensdag 26 juni 2013

De Burn-out Generatie

Dit artikel is verschenen in het Nederlands Dagblad op 26 juni 2013

“Als ik op mijn vijftigste terugkijk wil ik successen op mijn naam hebben staan die bepalend zijn voor de ontwikkelingen in mijn branche,” zo vertelde een dertiger over haar ambities. Ze kon haar toekomst precies schetsen en ze wist ook al wanneer die moest beginnen: “nu ik al dertig ben, en al zeven jaar werk kan ik zeggen: laat mij dat maar doen, dat kan ik nu.”

Ze vertelde dit in een duo-interview voor een vakblad, waarin deze jonge adviseur (30) samen met haar directeur (48) aan het woord was. De directeur moest, denk ik, een beetje lachen om de ambities van zijn medewerker. Want hij reageerde als volgt: “toen ik dertig was, had ik niet zulke expliciete ambities. Na een reorganisatie werd ik ineens leidinggevende. Ik kreeg dus het vertrouwen. En ach, men wordt al doende wijzer.”

Ik moest ook glimlachen om de uitspraak van de adviseur. Want als ik vorig jaar in zo’n soort interview had gezeten, had ik hetzelfde gezegd. Maar inmiddels is het tien maanden geleden dat ik, onderweg naar kantoor, de auto langs de kant van de weg moest zetten omdat ik niet meer verder kon rijden. Daarna duurde het nog een tijdje voor ik het toe durfde te geven: ik ben nog lang geen dertig, maar wel opgebrand. En ik ben niet de enige in mijn generatie. Afgelopen voorjaar maakte TNO bekend dat ruim 1 op de 7 werknemers tussen de 25 en 35 jaar last heeft van burn-outklachten. Dat is een enorme toename. Wij zijn niet de generatie X, of de generatie Einstein, maar de Burn-out Generatie geworden. Hoe komt dat?

Ik denk dat een verklaring ligt in het verschil in houding tussen de adviseur en de directeur. De jongste bedienden van nu zijn opgegroeid in een tijdperk van economische groei en snelle technologische en maatschappelijke veranderingen. Alles was mogelijk, als je maar je best deed. Dat zijn mijn generatiegenoten en ik gaan geloven. En we werken hard, dus we willen snel vooruit. Na zeven jaar werken nemen we het roer wel even over.

Tot een paar jaar geleden was the sky the limit voor de slimme, ambitieuze young professionals van mijn generatie. We hebben een droomstart op de arbeidsmarkt gehad. Maar de laatste jaren stagneert de snelle carrière en wordt de toekomst minder vanzelfsprekend. We moeten onze wensen en eisen bijstellen. Maar het lukt ons niet terug te schakelen naar een lagere versnelling, omdat we die nooit eerder hebben gebruikt. Ik denk dat daardoor zoveel twintigers en dertigers opgebrand raken.

Henri Nouwen, een ervaringsdeskundige, schreef daar iets over wat voor mij erg leerzaam was: ‘jaar achter jaar geven we gehoor aan geluiden die vinden dat we actief en zichtbaar moeten zijn. We denken oprecht dat we geroepen zijn om in het openbaar te treden, groots en meeslepend te leven. Maar Gods stem zegt: vertrouw erop dat je leven zinvol is, ook als dat niet zichtbaar is voor de buitenwereld.’ Dat is een radicaal andere versnelling. Niet eisen en wensen, maar verwonderd zijn als je vertrouwen krijgt. Net als die directeur, toen hij dertig was.



woensdag 29 mei 2013

Dollars op de kaft


Eerder gepubliceerd in het Nederlands Dagblad op 29 mei 2013

Tijdens het opruimen van de boekenkast vond ik een boekje met de intrigerende titel ‘rijk door duurzaam ondernemen’. Ik had het gekregen na een congres in 2006, toen rijk worden ook voor Jan Modaal nog onder handbereik leek. En duurzaam, dat is altijd goed. Op de voorkant van het boekje stond een groene plant.

Sinds 2006 is gebleken dat duurzaam behoorlijk moeilijk is. Veel goede voorbeelden uit het boekje zijn inmiddels ingekrompen, noodlijdend of ter ziele. Dat komt volgens mij omdat duurzaam vaak té goed is om te kunnen bestaan. Zoals bij de jeans van Kuyichi. Die zijn gemaakt van biologisch katoen en helemaal verantwoord geproduceerd. Maar de kwaliteit is eigenlijk veel te goed: ik heb twee paar Kuyichi jeans die allebei al drie jaar meegaan, en bovendien nog steeds hip genoeg zijn. Dat is natuurlijk een knudde verdienmodel. De tactiek van textielsupers is dan veel slimmer: alles wat je daar koopt is na drie maanden stuk.

Ook in 2006 werd de noodklok al luid geslagen: we verbruiken te veel grondstoffen, vervuilen veel te veel en hergebruiken te weinig. De bedrijven en initiatiefnemers van toen wilden dat allemaal gaan veranderen. Maar in plaats daarvan zakte de markt in en bleef duurzaamheid een synoniem geworden van termen als ideologisch, solidair en betrokken. Dat is behoorlijk funest. Want hoe kun je een keten grondig vernieuwen als je binnen tien jaar failliet bent?

'Maak van duurzaam ondernemen een hot issue,' was een van de tips die in 2006 aan ondernemers werd meegegeven. 'Organisaties die niet meedoen, moeten voelen dat ze de boot missen.' Dat advies legt onbedoeld de vinger op de zere plek. In de niche-markt van idealistische ondernemers was en is duurzaamheid zeker hot. Maar de grotere concurrenten voelen de pijn niet. Bedrijven als Primark slagen er in een imago van hip en cool hoog te houden – zelfs als schandaal op schandaal de kranten haalt. En, niet minder schokkend, de klanten halen hun schouders erover op en blijven goedkope en trendy inkopen doen. En dit speelt niet alleen voor de kledingmarkt.

De afgelopen jaren is steeds geprobeerd die houding van het winkelend publiek en de grote ketens te veranderen. Helaas lukt dat slechts mondjesmaat. Ik denk het tijd wordt dat de duurzame ondernemers de omslag bij zichzelf gaan zoeken. Misschien moeten die organisaties wat minder ideologisch worden, en juist wat pragmatischer en zakelijker. Want we kunnen het ons niet veroorloven al die gouden initiatieven te laten doodbloeden. Daarbij kunnen de idealistische ondernemers vast wat tips gebruiken over hoe hun bedrijf marktleider kan worden, en hoe hun CEO rijk kan worden van bedrijfsaandelen. Dus: updaten en opnieuw uitgeven, dat boekje uit 2006. Maar weg met de groene plantjes, er moeten dollars op de kaft.