vrijdag 28 december 2012

Let it snow

Je zou het haast niet geloven, met deze warme dagen rond kerst en Oud en Nieuw, maar een paar weken terug stond er bij ons echt een sneeuwpop in de tuin. Tijdens die twee dagen sneeuw reisde ik met de trein naar Amsterdam. Dat had ik beter niet kunnen doen, want de Klagende Nederlander had ook massaal besloten de trein te nemen. Het meisje dat naast me stond op het perron spande de kroon. “Belachelijk toch,” zei ze. “Twee centimeter sneeuw en het hele land ligt plat. Moet je nagaan. In Rusland ligt wel een meter sneeuw en je zal zien, de enige trein hier die nog op tijd rijdt is de ICE naar Moskou.” Ze stond er een beetje bij te rillen. Dat was voor de vorm, want ze had een dure parka aan met een dikke bontkraag. In plaats van te klagen had ze beter gratis krantje kunnen lezen dat op het bankje op het perron lag, dan had ze wat kunnen leren over sneeuw in Moskou.

Begin deze maand werd Rusland overvallen door een hevige sneeuwbui. In het eerste weekend van december ontstond er daardoor een file van 200 kilometer tussen Moskou en Sint Petersburg. Die file duurde vier dagen. Een van de automobilisten die 48 uur vast had gestaan in een koud, donker bosgebied zei daarover: 'het was verschrikkelijk. Na zo veel uur begint je water en voedsel op te raken, en ik had ook bijna geen brandstof meer'.

Dat geeft te denken. Wie in Rusland gaat reizen, neemt dus zijn maatregelen. Een uurtje autorijden is daar geen kwestie van even de tomtom instellen, maar zorgvuldig proviand inslaan. Groot pak ontbijtkoek, een fles water (en wodka) en voldoende cash. Dan kun je er even tegen als je vast staat. Een groter contrast met de Nederlandse reiziger is haast niet denkbaar. Als er slecht weer op komst is stuurt de Nederlandse Spoorwegen alle reizigers met een abonnement vast een mailtje, om de gewijzigde dienstregeling aan te kondigen. Daarbij benadrukt de NS dat 'de regeling rond teruggave van reiskosten na vertraging bijzonder ruimhartig is'. Als je als reiziger door alle winterse taferelen erg lang moet wachten, zoals vorig jaar, worden er veldbedden en blikken erwtensoep aangerukt. Voor alles wordt gezorgd, en het is bovendien gratis. De Nederlandse reiziger kan juist bij sneeuw en ijzel gerust zonder portemonnee van huis vertrekken.

De Russische automobilisten kregen nauwelijks noodhulp. Wie geen eten bij zich had, moest te voet naar een dorpje gaan, waar voor woekerprijzen voedsel te koop was. Volgens de Russische overheid kwam de hulp juist snel en adequaat op gang en werd iedereen snel en vriendelijk geholpen. 'Zeker,' reageerde een automobilist. 'Iedereen was reuze vriendelijk, behalve die keren dat mensen mijn voedsel wilden stelen en ik met een mes werd bedreigd.'  

In Nederland werden de voorbereidingen van de NS op het sneeuwweekend met argusogen bekeken. Zouden de spoorwegen hun beloftes wel waarmaken? Worden we wel goed genoeg bediend en geholpen? Volgens mij verliep het allemaal best goed. Misschien is het dan tijd om te zeggen: goed gedaan. Fijn dat we in Nederland, ook bij sneeuw, kunnen vertrouwen op ons vervoer. En als het weer gaat sneeuwen? Dan trekken we allemaal een dikke parka aan en nemen een plakje ontbijtkoek mee. Als het moet kunnen we dan best een half uurtje op de trein wachten.


donderdag 29 november 2012

Vol verwachting

Verschenen in het Nederlands Dagblad op 28 november 2012

Deze tijd voor Sinterklaas is de spannendste tijd van het jaar voor mijn dochter. Ze is al weken bezig met haar verlanglijstje. Die bevat naast ontstellend dure cadeaus gelukkig ook wat simpele verlangens. Zoals een pen, en een roze gymtas van Esprit.

Dat een gymtas nog niet zo'n simpel cadeau is, ontdekte ik toen ik vorige week een documentaire zag over kinderarbeid op Turkse katoenplantages. Dat er kinderarbeid plaatsvindt in de kledingindustrie is helaas geen nieuws, maar ik wist niet dat het zo dichtbij gebeurt. Terwijl mijn kinderen hun schoen zetten werken veel Turkse kinderen 12 tot 14 uur per dag op het land om katoen te oogsten. En het katoenspoor dat de documentaire volgde eindigde in een fabriek waar (namaak) producten van Esprit werden gemaakt. Oeps! Toch maar zoeken naar een ander cadeau...

In steeds meer branches dringt het besef door dat dat een omslag naar duurzaam en verantwoord produceren nodig is. Maar het duurt lang voordat het kwartje valt. Bestuurders zoeken eindeloos naar oplossingen voor maatschappelijke problemen, en komen dan alsnog met vrij traditionele maatregelen. Maar om de keten te veranderen zijn echt nieuwe ideeën nodig. Waar halen we die vandaan?

Goede inspiratie komt in dit geval van dichtbij: onze kinderen. Steeds meer organisaties proberen kinderen te motiveren om in actie te komen. De stichting go for youth bijvoorbeeld, waarbinnen ik zelf ook actief ben. Wanneer je kinderen in aanraking brengt met de leefwereld van hun leeftijdsgenoten in minder bevoorrechte landen – bijvoorbeeld de Turkse katoenplukkers – komen ze zelf vaak met talloze ideeën over hoe ze kunnen helpen. Daarmee geven de kinderen een heel nieuwe invulling aan ontwikkelingshulp.

Dat kinderen vol inspiratie zitten weten commerciële bedrijven al jaren. Het bedrijfsleven geeft niet voor niets miljoenen uit aan onderzoek naar kindermarketing. Tot dusver worden ideeën van kinderen echter vooral ingeschakeld om producten te verkopen of rages te organiseren. De door prinses Laurentien opgerichte stichting Missing Chapter Foundation gaat een stap verder. De stichting brengt kinderen en beslissers uit het bedrijfsleven samen, waarbij kinderen mee kunnen denken over de maatschappelijke vraagstukken van bedrijven. Doordat kinderen daarbij vanuit een bijzondere invalshoek meedenken, levert dat de bedrijven allerlei verfrissende inzichten op.

Mijn suggestie voor de Missing Chapter Foundation zou zijn: daag Esprit uit om samen met Nederlandse kinderen de productieketen van katoen in kaart te brengen. De kinderen hebben vast allerlei ideeën over hoe de Turkse kinderen geholpen kunnen worden om toch naar school te gaan. Ik meld mijn dochter vast aan voor de brainstormsessie. Misschien maakt ze dan zelf de aanschaf van haar mooie roze gymtas mogelijk...


woensdag 24 oktober 2012

Held of Kneus?


Gepubliceerd in het Nederlands Dagblad op 24 oktober 2012

“Ik vind het een loffelijke taak om een man met een minimuminkomen een menswaardige woning te geven. Maar niet als het ten koste gaat van andere mensen. Niet als belastingen erdoor verhoogd worden”. Is dit een citaat uit een interview met Mark Rutte of een quote van de Republikeinse presidentskandidaat Mitt Romney? Het antwoord: geen van beide – of allebei. Het is een zin uit een van de klassiekers van schrijfster Ayn Rand, die beide politici sterk beïnvloedt.

Het is toeval dat ik een week of zes geleden The Fountainhead opsloeg, het boek waarmee Ayn Rand in ’43 doorbrak in Amerika. In de weken die het me kostte om de 750 gortdroge pagina’s van het boek door te akkeren, laaide de verkiezingskoorts in de VS op – en begonnen de overeenkomsten tussen de opmerkingen van Mitt Romney en die van Rands helden me op te vallen. Wat googlen leerde me al snel dat Rand een van de motors achter het republikeinse gedachtengoed is. Ze is een icoon van de Tea Party, die spandoeken gebruikt met leuzen als ‘Rand was Right’. Maar de invloed van Ayn Rand reikt verder. Na de Bijbel is haar tweede grote roman, het 1100 pagina’s tellende Atlas Shrugged (1957) het meest gelezen boek in de Verenigde Staten. Die twee boeken vormen overigens een bijzonder stel: waar de Bijbel naastenliefde predikt, is egoïsme de hoogste deugd in de wereld van Ayn Rand. De Republikeinse partij heeft een merkwaardige mix van die twee gemaakt. Conservatief christendom gaat daarbij samen met het egoïstische kapitalisme van Rand, waarin het eigen kunnen centraal staat en naastenliefde een taboe is.

Volgens Ayn Rand bestaan er maar twee soorten mensen: makers (helden) en takers (kneuzen). De helden zijn steeds bijzonder getalenteerd, gedisciplineerd en ongenaakbaar. Het zijn vernieuwers en ondernemers. De kneuzen noemt Rand 'tweedehands mensen'. Zij hebben geen oorspronkelijke ideeën maar lopen de publieke opinie achterna. Zij zijn de 'stem van het volk'.

Mitt Romney maakt graag gebruik van dit onderscheid tussen makers en takers. In zijn carrière als harde saneerder in het bedrijfsleven deelde hij werknemers in die twee groepen in, en bepaalde zo wie ontslagen moest worden en wie mocht blijven. Ook in de campagne zet Romney Rands filosofie in. Zei zei hij onlangs dat hij verwacht dat 47% van de Amerikanen op Obama zal stemmen omdat ze afhankelijk zijn van de overheid voor hun levensonderhoud. Wie zijn voorliefde voor Rand kent, ziet de dubbele bodem. Romney bedoelde: wie op Obama stemt is een taker, een kneus. Maar wie een maker is stemt op mij.

Amerikanen groeien op met de ideeen van Ayn Rand zoals wij opgroeien met Annie M.G. Schmidt. Haar boeken worden gratis uitgedeeld op high schools. Romneys tactiek kan daardoor een groot effect hebben. Of de Amerikanen het zelf doorhebben of niet, ze zullen in het stemhokje antwoord geven op de vraag: ben ik een kneus of een held?


vrijdag 28 september 2012

Nu samen vooruit!


Gepubliceerd in het Nederlands Dagblad op 26 september 2012
Ik voorspel dat het komend regeerakkoord het motto 'Nu samen vooruit' meekrijgt. Dat klinkt lekker actief en het vat bovendien de verkiezingsslogans van afgelopen zomer goed samen. Alle partijen van links tot rechts predikten immers economische groei. Nederland moet beter worden, sterker, socialer. We willen verandering, en dat willen we nu. Vandaag nog. Want... ja, waarom eigenlijk?

Natuurlijk is Nederland geen roze wolk. De juf op school heeft het een stuk drukker gekregen, met zo'n volle klas. Voor ouderen en chronisch zieken is het organiseren van zorg zeker geen peulenschil. Twintigers vinden moeilijk een baan, dertigers kunnen geen hypotheek meer krijgen. Er hebben best veel kinderen obesitas en bijna niemand gebruikt zonne-energie. In de campagne wezen partijen naar Duitsland: het land waar alles beter is.

Maar hé, dat is maar een kant van de medaille. De juf vindt nog de tijd om mijn oudste dochter plustaken te geven. En als mijn jongste dochter ziek is, heeft ze binnen een paar uur professionele zorg om haar bedje staan. Dat is best bijzonder: in een groot deel van de wereld zou dat niet zo soepel gaan. Zelfs onze buur België heeft veel dingen niet zo goed geregeld. Hoe komt het dat we ons daar niet mee vergelijken, maar dat we allemaal naar Duitsland kijken?

Volgens de filosoof Alain de Botton ontlenen we ons zelfbeeld voor een groot deel aan onze positie op de maatschappelijke ladder. Ons vergelijkingsmateriaal heeft daarbij liefst ongeveer evenveel kansen en talenten: de Duitsers dus. Als zij betere (economische) resultaten boeken dan wij, dan steekt dat. Nederland voelt zich falen. En volgens de Botton komt uit falen vernedering voort. Dat is het knagende besef dat we niet in staat zijn geweest de wereld te laten zien wat we waard zijn. Alain de Botton noemt dat statusangst.

Om die statusangst te vermijden hebben politici de afgelopen jaren geprobeerd Nederland uit het slop te trekken. Ruttes mantra daarvoor was 'Vrijheid en Verantwoordelijkheid'. Onder Balkenende moest het motto 'Samen werken, samen leven' soelaas bieden. Maar die saamhorigheid heeft de economie net zo min doen kenteren als Ruttes eigen verantwoordelijkheid. Ik denk dat het komende kabinet het nog een keer gaat proberen, met 'samen vooruit'. Maar als ook dat niet lukt ziet Alain de Botton de toekomst somber voor ons in: voortaan zijn we dan gedoemd succesvollere landen met verbittering te bezien en onszelf met schaamte.

Gelukkig is er een oplossing voor statusangst. Zodra we onder ogen zien wat we nastreven kunnen we besluiten dat niet meer te doen. We hoeven onze tijd, geld en energie niet te verspillen om te bewijzen wat niet bewezen hoeft te worden. Nederland hoeft niet alle ranglijsten aan te voeren, en op alle vlakken het beste land van de wereld te zijn. We kunnen ons ook gewoon vergelijken met België. Het vormen van een kabinet kunnen we bijvoorbeeld vast een stuk sneller.


zaterdag 25 augustus 2012

Onbedoelde effecten van beleid

Gepubliceerd in het Nederlands Dagblad op 24 augustus 2012

Er staat een EU-logo op het aanrecht van het appartement. De gloednieuwe speeltuin in een verlaten boerengehucht is ‘funded by the EU’. Ook de gloednieuwe snelweg, het opgeknapte zwembad en de B&B zijn voorzien van een blauwe vlag met twaalf gele sterren. In Polen, het land waar ik de zomermaanden doorbracht, is de Europese Unie tastbaar aanwezig in het dagelijks leven.

Goed nieuws voor Midden-Europa, dacht ik. De EU geeft een impuls aan de lokale economie, huizen worden weer opgeknapt. Er hangt een sfeer van vooruitgang. Maar schijn bedriegt.
De kleine boeren in Silezië, een streek in Polen, zijn helemaal niet blij met de EU. De strenge eisen die de Unie stelt aan hun landbouwgewassen en aan de melk van hun koeien maken een rendabel boerenbestaan haast onmogelijk. Hun bedrijven zijn te klein, en zonder enige schaalgrootte kunnen ze nooit aan de vereisten voldoen.

Er is een simpele oplossing, zegt de EU: werk samen, start een coöperatie. Maar dat schiet deze keuterboertjes in het verkeerde keelgat. Decennialang hebben ze, ondanks de hevige druk van communistisch Rusland, hun zelfstandigheid behouden. Ze zijn niet gezwicht voor de politiek van grote landbouwcoöperaties. En nu zijn ze ‘vrij’ – maar in wezen wordt de druk alleen wat subtieler uitgeoefend.

De subsidies, regels en economische prikkels voor deze Poolse regio zijn ongetwijfeld goed bedoeld. De landbouwregels zorgen voor betere exportmogelijkheden door uniformere producten. De nieuwe speeltuin moest vast de teruglopende sociale cohesie verbeteren, de snelweg zou zorgen voor bedrijvigheid en met een gloednieuw hotel komt het toerisme vanzelf op gang. Maar zo blijkt het niet te werken.

De zoons en dochters van deze boeren raken gedemotiveerd. Ze zien geen brood meer in een boerenbestaan en trekken naar de steden of naar het Westen. De dorpen sterven uit, de gloednieuwe speeltuin ligt er verlaten bij. Het beleid van de EU blijkt dus wat onvoorziene bijwerkingen te hebben. De econoom Charles Wolfe noemt dat ‘overheidsfalen’– de tegenhanger van marktfalen. Dit falen komt doordat de overheid uitgaat van een versimpeling van de werkelijkheid. Te vaak wordt vergeten dat beleid terechtkomt in een complexe sociale context – bijvoorbeeld die van de Poolse weerstand tegen coöperaties. Goed overheidsbeleid zou juist gebruik moeten maken van de afstand tot de regio om de belangrijkste tradities en structuren te herkennen en te verwerken in regels en subsidies.

Ik denk het niet dat de onbedoelde gevolgen van beleid op de Brusselse bureaus terecht komen. Ik stel me zo voor dat het beleid elke twee jaar wordt geëvalueerd, waarna de ambtenaren met een vuistdik rapport kunnen aantonen dat hele regio’s er op vooruitgaan. En ze stellen vast dat de Poolse economie nog blijft groeien, mede mogelijk gemaakt door de EU. Maar nog even en de kleine boeren in Silezië zijn weg. En ik vrees dat deze Poolse streek niet de enige regio is waar het zo gaat….


woensdag 25 juli 2012

Dooi in Genemuiden

Gepubliceerd in het Nederlands Dagblad op 25 juli 2012

Soms vraag ik me af op welke manier geschiedschrijvers later de periode waarin we nu leven zullen typeren. Misschien dat ze voor het Europa van nu het woord 'vastgevroren' zullen gebruiken: vastgevroren in routines en gedachtenpatronen. Maar die typering geldt niet alleen voor Brussel. We zijn nog gewend te praten over groei en ontwikkeling, maar in de praktijk zitten veel mensen zelf ook vast in een patstelling. Ze zitten vast in een vervelende baan, in een uitkeringssituatie of aan torenhoge lasten. Het praten over groei en verandering steekt daar schril bij af: dat zijn niet meer dan holle frasen.

Zelf zat ik de afgelopen maanden ook vastgevroren. Ik betrap mezelf erop dat mijn houding allengs sceptischer en cynischer wordt – bijna zonder dat ik het door heb. De optimistische momenten die ik vroeger vaak had, waarop ik dacht de wereld te kunnen verbeteren dankzij dat ene goede idee, worden steeds schaarser – en ik word steeds cynischer. De Duitse filosoof Peter Sloterdijk beschrijft zulk cynisme als verlicht verkeerd bewustzijn. Daarmee bedoelt hij: de mens weet wat hij (fout) doet, maar doet het toch, want de 'dwang der dingen' en een 'drang tot zelfbehoud' leiden hem daartoe. Dat vat mijn veranderde houding denk ik adequaat samen: ik weet wat er aan schort, maar ben vastgevroren en door mijn streven naar zelfbehoud onmachtig in te grijpen. En ik durf die veranderde houding die ik bij mezelf proef te projecteren op de bredere context van de maatschappij om mij heen: we zijn vastgevroren in cynisme.

Einde verhaal? Nee, zeker niet. Want wat is vastgevroren kan ontdooien. Het begin van de dooi kwam voor mij uit Genemuiden. Een ondernemer liet me daar zien hoe hij, vol passie en enthousiasme, een bedrijf runt vanuit het idee van rentmeesterschap. Hij investeert zijn tijd en energie niet in zijn bedrijfsbelang. Hij investeert het in mensen met een beperking, die hij binnen zijn bedrijf het vertrouwen, de zekerheid en veiligheid geeft die werk een mens kan bieden. Een prachtige, hoopvolle bedrijfsvisie.

Volgens Peter Sloterdijk staat tegenover het streven naar zelfbehoud (cynisme) een houding die eerder voor leven kiest dan voor het koste wat kost overleven. Hoewel de atheïstische Sloterdijk het vast niet zo bedoeld heeft, raakt zijn filosofie hier aan de invulling die het bedrijf in Genemuiden geeft aan rentmeesterschap. Als rentmeester ben je niet aangesteld om te laten renderen, maar om zorgvuldig te beheren. Het gaat dus niet om winst, maar om perspectief. Niet om zelfbehoud, maar om kiezen voor zinvol leven. Dat zijn abstracte termen, maar het bedrijf in Genemuiden laat zien dat je dat heel concreet kunt maken, als ondernemer, als werknemer, als mens. Als we dat gaan doen gaat het heel snel dooien, en zijn we sneller losgevroren dan we nu durven denken.

vrijdag 29 juni 2012

Verlanglijstjes

Gepubliceerd in het Nederlands Dagblad op 27 juni 2012

Er zijn twee soorten mensen: de ene vindt het maken van verlanglijstjes een verschrikking, de andere soort is al maanden voor de Grote Dag in de weer met het bedenken van cadeaus. De meeste politici en mijn oudste dochter horen tot die tweede categorie, ik ben zelf van het type dat daar niets van snapt.

Mijn dochter wordt bijna zes. Zoals het hoort op die leeftijd heeft ze een wensenlijst die een redelijk verjaardagsbudget ver overtreft. Ze heeft hier een slimme oplossing voor bedacht: de verlanglijst opknippen en zoveel mogelijk mensen inschakelen om een stukje van het cadeau te kopen.

De dames en heren politici hebben de afgelopen weken ook hun wensenlijsten gepresenteerd, in de vorm van verkiezingsprogramma’s. Hypotheekrenteaftrek behouden, een sterker Europa, geld voor onderwijs of juist voor zorg. Het budget is beperkt, de wensen talrijk. Dus ook daar geldt: als je iets voor elkaar wilt krijgen moet je het zelf organiseren. Hoe doen ze dat? Het lijkt erop dat politieke partijen hierbij een voorbeeld nemen aan lobbyisten. In zijn boek 'Je hebt het niet van mij, maar...' liet Joris Luyendijk al zien dat die lobbyisten hun pijlen nauwelijks richten op politici of ministers – maar op ambtenaren. Want dat blijkt de plek waar de macht zit.

Dat de ambtenarij macht heeft is geen geheim. Ambtenaren geven vorm aan de uitvoering van regelgeving en hebben een sterke invloed op besluitvorming. Maar ze leveren ook input voor verkiezingsprogramma's en voor het regeerakkoord in de fase van onderhandeling. Het ideaalbeeld van de strikte grens tussen politiek en ambtenarij is daarmee al lang vervlogen. Sterker nog, politiek en bureaucratie smelten steeds meer samen. Directeuren van ministeries prijken hoog op de kandidatenlijsten van politieke partijen. En bij schaduwverkiezingen in 2010 bleek dat op meerdere ministerie met gemak een coalitie gevormd kon worden van GroenLinks en D66.

Dat lijken grappige feitjes, maar het is veel meer dan dat. Als (top)ambtenaren politiek zo actief zijn, betekent het dat zij een grote rol spelen binnen een partij en tegelijkertijd een regerend minister adviseren. En wanneer het merendeel van de ambtenaren van één politieke kleur is, zullen de adviezen voor de regering dat stempel dragen – ook als de coalitie een totaal andere kleur heeft. Daar zit iets fout. Politieke partijen leveren zo niet alleen een verlanglijst in, ze doen ook zelf de inkopen.

In dat licht deed de PvdA half juni een interessant voorstel. De partij wil dat bij ieder wetsvoorstel inzichtelijk wordt welke invloed lobbyisten hebben uitgeoefend op bewindspersonen. Een goed voorstel, maar volgens mij te beperkt. Lobbys komen niet alleen van buiten. Ze zijn aanwezig tot in de toppen van ministeries, en ook die invloed zou transparant moeten zijn. Dan kunnen we zien wie er aan het organiseren is geslagen om zijn zin te krijgen. Maar het zou zomaar kunnen zijn dat partijen niet zo veel zin hebben om daar al te open over te zijn.