vrijdag 28 september 2012

Nu samen vooruit!


Gepubliceerd in het Nederlands Dagblad op 26 september 2012
Ik voorspel dat het komend regeerakkoord het motto 'Nu samen vooruit' meekrijgt. Dat klinkt lekker actief en het vat bovendien de verkiezingsslogans van afgelopen zomer goed samen. Alle partijen van links tot rechts predikten immers economische groei. Nederland moet beter worden, sterker, socialer. We willen verandering, en dat willen we nu. Vandaag nog. Want... ja, waarom eigenlijk?

Natuurlijk is Nederland geen roze wolk. De juf op school heeft het een stuk drukker gekregen, met zo'n volle klas. Voor ouderen en chronisch zieken is het organiseren van zorg zeker geen peulenschil. Twintigers vinden moeilijk een baan, dertigers kunnen geen hypotheek meer krijgen. Er hebben best veel kinderen obesitas en bijna niemand gebruikt zonne-energie. In de campagne wezen partijen naar Duitsland: het land waar alles beter is.

Maar hé, dat is maar een kant van de medaille. De juf vindt nog de tijd om mijn oudste dochter plustaken te geven. En als mijn jongste dochter ziek is, heeft ze binnen een paar uur professionele zorg om haar bedje staan. Dat is best bijzonder: in een groot deel van de wereld zou dat niet zo soepel gaan. Zelfs onze buur België heeft veel dingen niet zo goed geregeld. Hoe komt het dat we ons daar niet mee vergelijken, maar dat we allemaal naar Duitsland kijken?

Volgens de filosoof Alain de Botton ontlenen we ons zelfbeeld voor een groot deel aan onze positie op de maatschappelijke ladder. Ons vergelijkingsmateriaal heeft daarbij liefst ongeveer evenveel kansen en talenten: de Duitsers dus. Als zij betere (economische) resultaten boeken dan wij, dan steekt dat. Nederland voelt zich falen. En volgens de Botton komt uit falen vernedering voort. Dat is het knagende besef dat we niet in staat zijn geweest de wereld te laten zien wat we waard zijn. Alain de Botton noemt dat statusangst.

Om die statusangst te vermijden hebben politici de afgelopen jaren geprobeerd Nederland uit het slop te trekken. Ruttes mantra daarvoor was 'Vrijheid en Verantwoordelijkheid'. Onder Balkenende moest het motto 'Samen werken, samen leven' soelaas bieden. Maar die saamhorigheid heeft de economie net zo min doen kenteren als Ruttes eigen verantwoordelijkheid. Ik denk dat het komende kabinet het nog een keer gaat proberen, met 'samen vooruit'. Maar als ook dat niet lukt ziet Alain de Botton de toekomst somber voor ons in: voortaan zijn we dan gedoemd succesvollere landen met verbittering te bezien en onszelf met schaamte.

Gelukkig is er een oplossing voor statusangst. Zodra we onder ogen zien wat we nastreven kunnen we besluiten dat niet meer te doen. We hoeven onze tijd, geld en energie niet te verspillen om te bewijzen wat niet bewezen hoeft te worden. Nederland hoeft niet alle ranglijsten aan te voeren, en op alle vlakken het beste land van de wereld te zijn. We kunnen ons ook gewoon vergelijken met België. Het vormen van een kabinet kunnen we bijvoorbeeld vast een stuk sneller.


zaterdag 25 augustus 2012

Onbedoelde effecten van beleid

Gepubliceerd in het Nederlands Dagblad op 24 augustus 2012

Er staat een EU-logo op het aanrecht van het appartement. De gloednieuwe speeltuin in een verlaten boerengehucht is ‘funded by the EU’. Ook de gloednieuwe snelweg, het opgeknapte zwembad en de B&B zijn voorzien van een blauwe vlag met twaalf gele sterren. In Polen, het land waar ik de zomermaanden doorbracht, is de Europese Unie tastbaar aanwezig in het dagelijks leven.

Goed nieuws voor Midden-Europa, dacht ik. De EU geeft een impuls aan de lokale economie, huizen worden weer opgeknapt. Er hangt een sfeer van vooruitgang. Maar schijn bedriegt.
De kleine boeren in Silezië, een streek in Polen, zijn helemaal niet blij met de EU. De strenge eisen die de Unie stelt aan hun landbouwgewassen en aan de melk van hun koeien maken een rendabel boerenbestaan haast onmogelijk. Hun bedrijven zijn te klein, en zonder enige schaalgrootte kunnen ze nooit aan de vereisten voldoen.

Er is een simpele oplossing, zegt de EU: werk samen, start een coöperatie. Maar dat schiet deze keuterboertjes in het verkeerde keelgat. Decennialang hebben ze, ondanks de hevige druk van communistisch Rusland, hun zelfstandigheid behouden. Ze zijn niet gezwicht voor de politiek van grote landbouwcoöperaties. En nu zijn ze ‘vrij’ – maar in wezen wordt de druk alleen wat subtieler uitgeoefend.

De subsidies, regels en economische prikkels voor deze Poolse regio zijn ongetwijfeld goed bedoeld. De landbouwregels zorgen voor betere exportmogelijkheden door uniformere producten. De nieuwe speeltuin moest vast de teruglopende sociale cohesie verbeteren, de snelweg zou zorgen voor bedrijvigheid en met een gloednieuw hotel komt het toerisme vanzelf op gang. Maar zo blijkt het niet te werken.

De zoons en dochters van deze boeren raken gedemotiveerd. Ze zien geen brood meer in een boerenbestaan en trekken naar de steden of naar het Westen. De dorpen sterven uit, de gloednieuwe speeltuin ligt er verlaten bij. Het beleid van de EU blijkt dus wat onvoorziene bijwerkingen te hebben. De econoom Charles Wolfe noemt dat ‘overheidsfalen’– de tegenhanger van marktfalen. Dit falen komt doordat de overheid uitgaat van een versimpeling van de werkelijkheid. Te vaak wordt vergeten dat beleid terechtkomt in een complexe sociale context – bijvoorbeeld die van de Poolse weerstand tegen coöperaties. Goed overheidsbeleid zou juist gebruik moeten maken van de afstand tot de regio om de belangrijkste tradities en structuren te herkennen en te verwerken in regels en subsidies.

Ik denk het niet dat de onbedoelde gevolgen van beleid op de Brusselse bureaus terecht komen. Ik stel me zo voor dat het beleid elke twee jaar wordt geëvalueerd, waarna de ambtenaren met een vuistdik rapport kunnen aantonen dat hele regio’s er op vooruitgaan. En ze stellen vast dat de Poolse economie nog blijft groeien, mede mogelijk gemaakt door de EU. Maar nog even en de kleine boeren in Silezië zijn weg. En ik vrees dat deze Poolse streek niet de enige regio is waar het zo gaat….


woensdag 25 juli 2012

Dooi in Genemuiden

Gepubliceerd in het Nederlands Dagblad op 25 juli 2012

Soms vraag ik me af op welke manier geschiedschrijvers later de periode waarin we nu leven zullen typeren. Misschien dat ze voor het Europa van nu het woord 'vastgevroren' zullen gebruiken: vastgevroren in routines en gedachtenpatronen. Maar die typering geldt niet alleen voor Brussel. We zijn nog gewend te praten over groei en ontwikkeling, maar in de praktijk zitten veel mensen zelf ook vast in een patstelling. Ze zitten vast in een vervelende baan, in een uitkeringssituatie of aan torenhoge lasten. Het praten over groei en verandering steekt daar schril bij af: dat zijn niet meer dan holle frasen.

Zelf zat ik de afgelopen maanden ook vastgevroren. Ik betrap mezelf erop dat mijn houding allengs sceptischer en cynischer wordt – bijna zonder dat ik het door heb. De optimistische momenten die ik vroeger vaak had, waarop ik dacht de wereld te kunnen verbeteren dankzij dat ene goede idee, worden steeds schaarser – en ik word steeds cynischer. De Duitse filosoof Peter Sloterdijk beschrijft zulk cynisme als verlicht verkeerd bewustzijn. Daarmee bedoelt hij: de mens weet wat hij (fout) doet, maar doet het toch, want de 'dwang der dingen' en een 'drang tot zelfbehoud' leiden hem daartoe. Dat vat mijn veranderde houding denk ik adequaat samen: ik weet wat er aan schort, maar ben vastgevroren en door mijn streven naar zelfbehoud onmachtig in te grijpen. En ik durf die veranderde houding die ik bij mezelf proef te projecteren op de bredere context van de maatschappij om mij heen: we zijn vastgevroren in cynisme.

Einde verhaal? Nee, zeker niet. Want wat is vastgevroren kan ontdooien. Het begin van de dooi kwam voor mij uit Genemuiden. Een ondernemer liet me daar zien hoe hij, vol passie en enthousiasme, een bedrijf runt vanuit het idee van rentmeesterschap. Hij investeert zijn tijd en energie niet in zijn bedrijfsbelang. Hij investeert het in mensen met een beperking, die hij binnen zijn bedrijf het vertrouwen, de zekerheid en veiligheid geeft die werk een mens kan bieden. Een prachtige, hoopvolle bedrijfsvisie.

Volgens Peter Sloterdijk staat tegenover het streven naar zelfbehoud (cynisme) een houding die eerder voor leven kiest dan voor het koste wat kost overleven. Hoewel de atheïstische Sloterdijk het vast niet zo bedoeld heeft, raakt zijn filosofie hier aan de invulling die het bedrijf in Genemuiden geeft aan rentmeesterschap. Als rentmeester ben je niet aangesteld om te laten renderen, maar om zorgvuldig te beheren. Het gaat dus niet om winst, maar om perspectief. Niet om zelfbehoud, maar om kiezen voor zinvol leven. Dat zijn abstracte termen, maar het bedrijf in Genemuiden laat zien dat je dat heel concreet kunt maken, als ondernemer, als werknemer, als mens. Als we dat gaan doen gaat het heel snel dooien, en zijn we sneller losgevroren dan we nu durven denken.

vrijdag 29 juni 2012

Verlanglijstjes

Gepubliceerd in het Nederlands Dagblad op 27 juni 2012

Er zijn twee soorten mensen: de ene vindt het maken van verlanglijstjes een verschrikking, de andere soort is al maanden voor de Grote Dag in de weer met het bedenken van cadeaus. De meeste politici en mijn oudste dochter horen tot die tweede categorie, ik ben zelf van het type dat daar niets van snapt.

Mijn dochter wordt bijna zes. Zoals het hoort op die leeftijd heeft ze een wensenlijst die een redelijk verjaardagsbudget ver overtreft. Ze heeft hier een slimme oplossing voor bedacht: de verlanglijst opknippen en zoveel mogelijk mensen inschakelen om een stukje van het cadeau te kopen.

De dames en heren politici hebben de afgelopen weken ook hun wensenlijsten gepresenteerd, in de vorm van verkiezingsprogramma’s. Hypotheekrenteaftrek behouden, een sterker Europa, geld voor onderwijs of juist voor zorg. Het budget is beperkt, de wensen talrijk. Dus ook daar geldt: als je iets voor elkaar wilt krijgen moet je het zelf organiseren. Hoe doen ze dat? Het lijkt erop dat politieke partijen hierbij een voorbeeld nemen aan lobbyisten. In zijn boek 'Je hebt het niet van mij, maar...' liet Joris Luyendijk al zien dat die lobbyisten hun pijlen nauwelijks richten op politici of ministers – maar op ambtenaren. Want dat blijkt de plek waar de macht zit.

Dat de ambtenarij macht heeft is geen geheim. Ambtenaren geven vorm aan de uitvoering van regelgeving en hebben een sterke invloed op besluitvorming. Maar ze leveren ook input voor verkiezingsprogramma's en voor het regeerakkoord in de fase van onderhandeling. Het ideaalbeeld van de strikte grens tussen politiek en ambtenarij is daarmee al lang vervlogen. Sterker nog, politiek en bureaucratie smelten steeds meer samen. Directeuren van ministeries prijken hoog op de kandidatenlijsten van politieke partijen. En bij schaduwverkiezingen in 2010 bleek dat op meerdere ministerie met gemak een coalitie gevormd kon worden van GroenLinks en D66.

Dat lijken grappige feitjes, maar het is veel meer dan dat. Als (top)ambtenaren politiek zo actief zijn, betekent het dat zij een grote rol spelen binnen een partij en tegelijkertijd een regerend minister adviseren. En wanneer het merendeel van de ambtenaren van één politieke kleur is, zullen de adviezen voor de regering dat stempel dragen – ook als de coalitie een totaal andere kleur heeft. Daar zit iets fout. Politieke partijen leveren zo niet alleen een verlanglijst in, ze doen ook zelf de inkopen.

In dat licht deed de PvdA half juni een interessant voorstel. De partij wil dat bij ieder wetsvoorstel inzichtelijk wordt welke invloed lobbyisten hebben uitgeoefend op bewindspersonen. Een goed voorstel, maar volgens mij te beperkt. Lobbys komen niet alleen van buiten. Ze zijn aanwezig tot in de toppen van ministeries, en ook die invloed zou transparant moeten zijn. Dan kunnen we zien wie er aan het organiseren is geslagen om zijn zin te krijgen. Maar het zou zomaar kunnen zijn dat partijen niet zo veel zin hebben om daar al te open over te zijn.


woensdag 23 mei 2012

Later blijft alles beter

Gepubliceerd in het Nederlands Dagblad op 23 mei 2012

'De afgelopen jaren heeft ons bedrijf heel wat te verstouwen gehad,' zuchtte de man. 'We hebben allerlei reorganisaties uitgevoerd, om klaar te zijn voor wat wij dachten dat de toekomst was. Maar nu de nieuwe organisatiestructuur bijna klaar is komen we tot de ontdekking dat de wereld om ons heen er totaal anders uitziet. We hebben al die tijd gewerkt aan een idee dat achterhaald blijkt te zijn.'

'Niets is blijvend, behalve verandering', zei de Griekse filosoof Heraclitus zo'n 2500 jaar geleden. Een uitspraak die nog altijd actueel is. Waar ik ook kom – bij bedrijven, overheden, non-profit instellingen – overal wordt veranderd. De achterliggende reden klinkt als een refrein door al deze organisaties: we moeten met minder toe, én het moet beter. En dus moet alles anders.

Ondertussen is het niet helemaal duidelijk waar al die reorganisaties nou precies over gaan. Er moet vaak efficienter gewerkt worden en omgangsvormen moeten zakelijker. Maar steeds vaker gaan verandertrajecten een slag dieper. Dan gaat het niet alleen over taken en handelingen, maar ook over hoe mensen in hun werk staan en wat bedrijven, teams en medewerkers drijft. Zo'n cultuuromslag is een ingrijpend traject, dat volgens de traditionele organisatiewetenschappen zijn tijd nodig heeft. In de huidige verandercultuur wordt echter steeds vaker gevraagd hoe snel het kan in plaats van hoe lang zo'n traject nodig heeft. Het gevolg hiervan is snelle verandering op snelle verandering: terwijl de medewerkers opgelucht ademhalen omdat hun baan niet geschrapt is, moeten ze al weer diep moed inademen om te wennen aan een nieuwe cultuuromslag. Kortom: niets is blijvend, behalve verandering. Geen wonder dus dat de woorden van Heraclitus in het moderne Europa het motto zijn geworden voor een cultuur van 'veranderingsmanagement'.

De filosoof uit Efeze deed deze uitspraak echter in de context van zijn theorie. Die wordt vaak geïllustreerd door te stellen dat je nooit twee keer in dezelfde rivier kunt stappen. Want de tweede keer dat je in het water stapt zijn zowel de rivier als jijzelf een klein beetje veranderd. Dat voorbeeld past bij de lome, trage verandering van veroudering of van het wisselen van de seizoenen. De toepassing op snelle bliksemreorganisaties is eigenlijk veel minder logisch.

Werkend Nederland kent inmiddels een groot aantal werknemers die al jaren door allerlei reorganisaties gaan en steeds vechten met onzekerheid over hun baan. Die medewerkers zijn moe en murw geslagen. Ze zijn toe aan rust en continuïteit.

Gelukkig is er ook een beweging te zien die daaraan bijdraagt: duurzaam werken. Steeds meer bedrijven denken erover na hoe ze ervoor kunnen zorgen dat het personeel hun werk goed kan volhouden. Ook dat kan verandering betekenen: de een krijgt er misschien een taak bij, terwijl de ander juist een stapje terug doet. Dat is een vorm van verandering die eigenlijk veel beter bij Heraclitus' uitspraak past: een verandering die tegelijkertijd continuïteit is.



woensdag 25 april 2012

Politiek te koop!

Gepubliceerd in het Nederlands Dagblad op 25 april 2012

In mijn stad vestigt zich binnenkort een H&M. Dat is voor het kwijnende historische centrum een hele opluchting, want nu trekken de winkelstraten misschien wat meer publiek. Ik denk dat de stad dat mis heeft. In plaats van een winkelketen voor jongeren, had de stad beter een keten voor ouderen kunnen werven. Want dat is de nieuwe doelgroep.

Niet alleen winkelstraten zoeken naar nieuwe doelgroepen. Ook Geert Wilders zoekt nieuwe klandizie. Hij heeft ontdekt dat 50+ers booming business zijn. Afgelopen zaterdagavond zei hij steeds: ‘ik kan niet snijden in de AOW van onze ouderen. Dat is niet waar de PVV voor staat’. Daarmee lanceerde hij meteen zijn koers voor de komende verkiezingscampagne. De PVV als de nieuwe ouderenpartij. Maar waarom?

Een politieke partij is een merk. En zoals bij de meeste merken is populariteit maar beperkt houdbaar. Volgens wetenschapper Malcolm Gladwell hangt populariteit van een merk samen met drie verkoopfactoren. De ambassadeur die het merk heeft vormen de eerste factor. Daarnaast speelt de context van het merk een grote rol. Als derde noemt Gladwell de ‘beklijvende factor’: hoe onweerstaanbaar je merk is wordt bepaald door de manier waarop je informatie presenteert.

Die beklijvende factor is Geert Wilders’ sterkste punt: of je het met hem eens bent of niet, zijn uitspraken blijven hangen. Fitna is hier het beste voorbeeld van: de maandenlange spanning rond de film liet een immense indruk achter. Juist de kracht van die presentatie begon bij Wilders de laatste tijd af te brokkelen. Het tegendraadse en eigenzinnige in zijn houding dat hem zo populair maakte verdween. Hij werd een politicus als alle andere.

Tegelijkertijd veranderde nog een factor: de context van zijn boodschap. Met het verhaal over immigratie en islam raakt Wilders niet langer aan de diepste angst van zijn kiezer. Zijn kiezers liggen niet meer wakker van de Marokkaanse jongens op de hoek, maar hebben vooral slapeloze nachten van hun lege bankrekening. Geert Wilders realiseert zich dat.

Om geen stemmen te verliezen moest hij daarom met een nieuw verhaal komen op een moment dat zo’n verhaal maximale aandacht kon krijgen. Zo kon Wilders in één keer op de nieuwe context inspelen, op een moment waarop de beklijvende factor van zijn boodschap het hoogst was. Wilders’ actie van zaterdag was volgens mij zorgvuldig gepland. De coalitie is geklapt omdat het merk Geert Wilders nieuwe klanten nodig had.

Maar politiek is geen supermarktoorlog. Het land besturen is iets anders dan je winkelstraat vernieuwen. Nog niet zo lang geleden geloofden regeerders dat zij een ambt vervulden. Regeren was vooral een dienend beroep.

Het zou me veel waard zijn als in de komende verkiezingstijd politieke partijen hun marketingcampagnes achterwege laten. Ik ben geen klant van politieke ideeën en geen consument van partijprogramma’s. Mijn stem is voor de partij die me geen slogans verkoopt, maar laat zien dat hij kan dienen.

dinsdag 27 maart 2012

Waarom we meer van kippetjes houden dan van kindertjes

Gepubliceerd in het Nederlands Dagblad op 28 maart 2012

Een bevriend gemeentelid kiest er deze vastentijd voor om vooral biologische producten te eten. Dat past in een trend. Steeds meer van mijn vrienden en kennissen zijn vegetariër of, net als ikzelf, flexitariër. Een collega eet zelfs alleen nog natuurlijke producten zonder toegevoegde suikers of conserveermiddelen.

Als je mijn vrienden en mij vraagt naar onze motieven, zeggen we dat die levensstijl beter is voor het milieu, en duurzamer. Bij christenen speelt ook mee dat ze de natuur niet willen overvragen en goed rentmeester willen zijn. Dat zijn nobele uitgangspunten waar niets op af te dingen is. Maar als ik eerlijk ben is dat niet het hele verhaal.

Want waarom kopen we wel biologische kippetjes, maar lopen we nog steeds in veel te goedkope jeans die in elkaar gezet zijn onder miserabele arbeidsomstandigheden? Waarom kiezen we wel voor vegetarische roerbakreepjes, maar kopen we zonder blikken of blozen elk jaar een nieuwe smartphone die in een fabriek door kinderhandjes in elkaar is gezet? Om het antwoord op deze vragen te vinden moeten we iets meer begrijpen over de psychologische processen die onze keuzes beïnvloeden.

Lange tijd werd gedacht dat mensen vooral kiezen door te letten op hun eigen portemonnee. Deze homo economicus weegt zakelijk alle voor- en nadelen af, en kiest dan de meest voordelige optie. Will Tiemeijer, onderzoeker bij de WRR, rekent juist af met die theorie. Onze keuzes zijn volgens hem juist grotendeels gebaseerd op onbewuste processen. ‘De macht der gewoonte’ is zo’n onbewust proces. Ook sociale drijfveren spelen een grote rol: we willen graag bij de groep horen en passen ons aan onze omgeving aan.

Die onbewuste invloeden hebben één gemene deler: ze gaan over het hier en het nu. Ze verkleinen onze beslissing tot dat wat we direct kunnen beïnvloeden of zelf kunnen ervaren. Goed handelen voor de kindertjes in China kunnen we niet zelf ervaren. Daardoor speelt die overweging op het moment dat we aan de kassa staan niet mee in onze keuzeprocessen. Natuurlijk kunnen we dat wel veranderen, zo zegt Tiemeijer: we kunnen die onbewuste processen bijsturen en controleren. Maar dat vergt een bewuste ingreep in automatische processen.

Bij de kippetjes is dat anders. Het eten van biologische producten heeft wel een directe betekenis in het hier en nu. We eten die voedingsmiddelen immers meteen op. Als we kiezen voor de biologische kip in plaats van de kiloknaller krijgen we direct een beloning: we voelen ons trots omdat we iets gezonds hebben gegeten: kip zonder enge hormonen.

Dat we vaker gezonde keuzes maken die ook nog eens positief uitwerken op de natuur om ons heen is natuurlijk goed. Het is de uitdaging om nóg een stap verder te gaan en juist die keuzes te maken waar wijzelf niet direct profijt van hebben. Dat is mogelijk, maar wel moeilijk. Ik ga de rest van deze vastentijd mijn best doen!